VLIZINE
jrg. 4, nr. 10-11 (oktober-november 2003)

Hét e-zine met praktische informatie over onderzoek en beleid door en voor Vlaamse mariene wetenschappers. 
Deze gratis on line uitgave van het Vlaams Instituut voor de Zee vzw verschijnt maandelijks en wordt verspreid onder alle geïnteresseerden.

V.U.: Jan Mees 
Redactie: Jan Seys 
Reacties naar jan.seys@vliz.be

Het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) wil via dit e-zine maandelijks informeren over de eigen activiteiten en die van onderzoeks- en beleidsgroepen in Vlaanderen actief in de mariene en kustgebonden wetenschappen. Alle nuttige informatie van uw kant (zoals vacatures, nieuwe projecten, vraag voor samenwerking, interessante symposia, etc.) wordt graag ingewacht om in het eerstvolgende VLIZINE te worden opgenomen. Dit bericht bereikt u via de VLIZINE rondzendlijst. Om u uit te schrijven, stuur een e-mail naar info@vliz.be met in de subjectline: ‘unsubscribe VLIZINE’. Inschrijven op dezelfde manier met vermelding: ‘subscribe VLIZINE’. Archieven van dit e-zine zijn raadpleegbaar via deze link.
 

INHOUD

1. Kalender
1.1. Internationale denktank rond oceanografisch databeheer naar Oostende!
1.2. CLIMAR-II: Workshop over mariene climatologie te Brussel
1.3. Colloquium over vissers en vissersnederzettingen in het Noordzeegebied in de Middeleeuwen en later, op 21-23 november
1.4. Een geoliede samenwerking bij kustverontreinigingen
1.5. Interessante workshops en conferenties over duinen in het verschiet
1.6. Luchtverontreiniging in een euregionale databank

2. Publicaties
2.1. Resultaten discussies over Europees onderzoek naar genetische mariene biodiversiteit
2.2. De Tricolor en de effecten van olie op natuurwaarden in de kijker
2.3. Rapport over geologie van Belgisch Continentaal Plat
2.4. België kent naar schatting 55.000 soorten levende organismen
2.5. We vissen té diep en té ver van de kust
2.6. Onvermoede golfhoogtes en vergane scheepsglorie

3. Vacatures/beurzen/fondsen
3.1. Indicatoren voor duurzaam kustbeheer zuidelijke Noordzee: VLIZ zoekt gegadigde
3.2. Postdoc positie in USA voor onderzoek naar adaptatie bij ongewervelde bodemdieren
3.3. Museum Midden-Afrika zoekt deskundige voor studie visfauna Congo-bekken
3.4. Onderzoeksstages in het Vlaams Parlement: het kan!

4. Varia
4.1.  Nieuws van het windenergie-front
4.2.  Drinken zeevissen zeewater?
4.3.  Heel wat merkwaardig zeezoogdierennieuws
4.4.  Zeekomkommertijd?
4.5.  Doctoraatsverdedigingen e.a.

5. Vraagbaak de ‘Zeeloods’
 

1.1. INTERNATIONALE DENKTANK ROND OCEANOGRAFISCH DATABEHEER NAAR OOSTENDE!

Niet zonder enige trots kondigt het Vlaams Instituut voor de Zee aan dat het ‘IODE Project Office’ van de Intergovernmental Oceanographic Commission (IOC-UNESCO) heel binnenkort verhuist van Parijs naar Oostende. Vanaf 1 januari 2004 zal dit ‘Oceanografisch Centrum’ – zoals het recent in de Belgische pers werd genoemd – tijdelijk zijn intrek nemen in de kantoren van het VLIZ.  Een dik jaar later, wanneer de renovatie van acht bijkomende pakhuizen in de Oostendse Vismijn achter de rug zal zijn, worden ze buren van het VLIZ. Dat het International Ocean Data and Information Exchange (IODE) netwerk een kantoor inplant in Oostende, heeft veel te maken met de gunstige ligging van Oostende aan zee en dichtbij een netwerk van hogescholen en universiteiten, maar ook met de steun van de Vlaamse regering en de reeds jarenlange goede contacten met het VLIZ. VLIZ fungeert immers reeds sinds zijn opstart als een Nationaal Oceanografisch Datacentrum voor IOC-UNESCO en werkte al die tijd heel actief mee aan tal van internationale initiatieven i.v.m. oceanografisch databeheer.

Het IODE Project Office zal optreden als een denktank voor het wereldwijde oceanografisch databeheer en talrijke workshops en seminaries organiseren met topexperts in deze materie van over heel de wereld. Het centrum zal ook een belangrijke rol spelen in het opleiden van databeheerders. Wie meer wil weten over de geplande activiteiten kan contact opnemen met VLIZ directeur Jan Mees (Tel.: 059/34 21 30).
 

1.2. CLIMAR-II: WORKSHOP OVER MARIENE CLIMATOLOGIE TE BRUSSEL

Exact 150 jaar na de allereerste internationale, meteorologische conferentie ooit, is Brussel deze week (17 tot en met 22 november 2003) opnieuw het toneel voor een top-meeting van meteorologen. Ditmaal ligt de klemtoon op mariene climatologie, met sessies rond resp. ‘Marine temperatures’, ‘Pressure and Wind’ en ‘Cross-cutting Issues’. Het gebeuren vindt plaats in het Résidence Palace, Wetstraat, Brussel (http://www.cdc.noaa.gov/coads/climar2/) en wordt georganiseerd door de Joint WMO/IOC Technical Commission for Oceanography and Marine Meteorology (JCOMM) en het KMI (als lokaal organisator).

De workshop startte alvast met de viering van de 150ste verjaardag van de Brusselse Maritieme Conferentie van 1853. Dit symposium kwam er in die tijd om een uniform systeem van meteorologische waarnemingen op zee mogelijk te maken, en om een algemeen plan op te stellen voor observatie van winden en stromingen op de oceanen. De conferentie was een mijlpaal in de geschiedenis van de (mariene) meteorologie en leidde 20 jaar later tot de oprichting van de International Meteorological Organization, de voorloper van de huidige World Meteorological Organization (WMO). Op CLIMAR-II worden o.a. reviews gebracht van de 1853-conferentie en de hieruit voortspruitende ontwikkeling van de operationele mariene meteorologie en oceanografie, op zijn beurt leidend tot de oprichting van JCOMM en de Global Ocean and Climate Observing Systems (GOOS en GCOS). De proceedings van de Brussels Maritime Conference van 1853 zijn consulteerbaar op het VLIZ:
http://www.vliz.be/Vmdcdata/imis2/Ref.php?show=html&refid=35133
 

1.3. COLLOQUIUM OVER VISSERS EN VISSERSNEDERZETTINGEN IN HET NOORDZEEGEBIED IN DE MIDDELEEUWEN EN LATER, OP 21-23 NOVEMBER

Het is bijna zover. Van 21 tot en met 23 november vindt in het Museum Walraversijde, nabij Oostende, het internationaal colloquium plaats over ‘Vissers en vissersnederzettingen in en rond het Noordzeegebied in de Middeleeuwen en later’. Een 120-tal deelnemers hebben zich ondertussen al geregistreerd. Dit initiatief gaat uit van de Provincie West-Vlaanderen, het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, VLIZ en de Vrije Universiteit Brussel (vakgroep Kunstwetenschappen en Archeologie) en zal voor het eerst een schare aan internationale, maritieme archeologen bijeenbrengen rond het historische Noordzeegebeuren. Centraal staat het historisch onderzoek naar vissersmilieus uit het Noordzeegebied (zoals de laatmiddeleeuwse site Walraversijde) en de ruimere studie van de maritieme archeologie. Deze omvat immers naast scheepsarcheologie, ook de studie van alle in belangrijke mate op de zee gerichte milieus. Het volledige programma vindt u via deze link: http://www.vliz.be/Nl/intro.htm . Inschrijven kan nog voor zij die snel reageren!  Een uitgebreid abstractenboek (VLIZ Special Publication 15 – IAP Rapport 13: 121 pgs.) zal bij de start van het colloquium aan de deelnemers worden uitgedeeld.
 

1.4. EEN GEOLIEDE SAMENWERKING BIJ KUSTVERONTREINIGINGEN

Zowel de Belgische als Nederlandse kusten krijgen regelmatig hun deel van de olieverontreiniging op zee te slikken. Dat bleek het afgelopen jaar nog na het kapseizen van de Tricolor en de daaropvolgende aanvaringen en ‘bijna-aanvaringen’. De overheden van beide landen proberen in de naweeën van dit incident de puntjes op de ‘i’ te zetten en werken aan actualisaties van bestaande procedures. Bedoeling is om bij nieuwe olierampen – die helaas in dit drukbevaren stuk van de Noordzee nooit kunnen worden uitgesloten – een werkbaar draaiboek klaar te hebben, zowel naar de opvang van met olie besmeurde zeevogels als naar de opruiming van de olie toe. Voor wat betreft dit laatste aspect zijn de kustgemeenten een belangrijke vragende partij. Onder de titel ‘Een geoliede samenwerking bij kustverontreinigingen’ organiseert de Belgisch-Nederlandse tak van de internationale milieuorganisatie van kustgemeentes KIMO op donderdagvoormiddag, 20 november, een infomoment  voor bestuurders, ambtenaren en belanghebbende verenigingen. Vanuit het onlangs verschenen Nederlandse rapport ‘Afstemming bij kustverontreinigingen’ en de opgedane ervaring met de Tricolor, zal gezocht worden naar een optimale samenwerking tussen bevoegde diensten. Het infomoment gaat door in de kantoren van Rijkswaterstaat/RIKZ, Kortenaerkade 1, Den Haag. Meer info via: http://www.zetnet.co.uk/coms/kimo/meet99.html
 

1.5. INTERESSANTE WORKSHOPS EN CONFERENTIES OVER DUINEN IN HET VERSCHIET

In het voorjaar 2004 staan duinen in de ruimste zin in het middelpunt van de belangstelling van wetenschappers en beheerders.  Op 1-2 april verwelkomen de Universiteit van Twente en de Franse Service Hydrographique et Océanographique de la Marine het ‘Marine Sandwave and River Dune Dynamics’ (MARID) symposium in Enschede (Nederland). Zowel aspecten van evolutie van zandgolven en onderwaterduinen, als van modellering, dataverzameling en sedimentaire eigenschappen komen hierbij aan bod. Wetenschappers die een presentatie willen verzorgen worden uitgenodigd hiertoe een aanvraag te doen tegen uiterlijk 15 december 2003. Meer info over deze workshop vindt u op: http://www.marid2004.utwente.nl/.

Kort daarna, van 12 tot en met 21 april 2004, volgt een ‘droge’ versie in het Marokkaanse Laayoune, waar de ‘3rd International Workshop on Formation and Migration of Dunes’ plaatsgrijpt. Meer info via: http://www.lps.ens.fr/recherche/formes/Laayoune2004.html.en

Ook vanuit kustbeschermingsstandpunt krijgen duinen de nodige internationale aandacht. Het Portugese instituut IHRH en de Coastal Union (EUCC) slaan de handen in elkaar om van 17-20 april 2005 een internationale conferentie te organiseren over kustbescherming en –beheer. De conferentie gaat door in Villamoura (Algarve, Portugal, 17-20 april). Meer info op: http://icccm2005.tripod.com.

En op 17 december 2003 viert het Waterleidingbedrijf Amsterdam zijn 150ste verjaardag met een symposium ‘150 jaar Amsterdamse waterleidingduinen: een symbiose van drinkwaterwinning en natuurbehoud’. Dit evenement, georganiseerd i.s.m. Stichting Duinbehoud en de Coastal Union (EUCC), vindt plaats in het Artis Party en Congrescentrum te Amsterdam van 12 tot 19 uur. Deelname is gratis; aanmelden is mogelijk tot 4 december (marijke@coastalguide.org).
 

1.6. LUCHTVERONTREINIGING IN EEN EUREGIONALE DATABANK

In het kader van het Interreg-III project Exper/PF onderzoekt een Frans-Vlaamse samenwerking de grensoverschrijdende luchtverontreiniging voor het gebied Nord-Pas de Calais en Vlaanderen. Meer specifiek wordt gekeken naar de blootstelling van diverse bevolkingsgroepen aan fijne stofdeeltjes, en wordt gewerkt aan een databank die voor deze euregio een optimale uitwisseling van data en informatie kan garanderen tussen wetenschappelijke experts, lokale overheden en mensen uit de gezondheidszorg. Een eerste versie van de databank wordt op 28 november 2003 voorgesteld in het Maison Régionale de Promotion de la Santé in het Franse Rijsel. Het volledige programma van het seminarie, alsook praktische schikkingen zijn te vinden op de website van het Exper/PF project: http://www.appanpc-asso.org/experpf/NL/index_NL.html. Let wel: voorinschrijven is noodzakelijk en het aantal mogelijke inschrijvers is beperkt, snel zijn is dus de boodschap!
 

2.1. RESULTATEN DISCUSSIES OVER EUROPEES ONDERZOEK NAAR GENETISCHE MARIENE BIODIVERSITEIT

Wie interesse betoont voor het meten, begrijpen en beheren van de genetische veelheid aan levensvormen in Europese mariene ecosystemen zal het vermoedelijk niet ontgaan zijn. In een reeks van Europese elektronische conferenties m.b.t. onderzoek naar mariene biodiversiteit (MARBENA: http://www.vliz.be/marbena) werd recent een vijfde e-conference gewijd aan bovenstaand onderwerp. De resultaten van deze intensief gevolgde vijfde MARBENA conferentie zijn nu ook gebundeld en on line beschikbaar (http://www.vliz.be/marbena/Proceedings/marbena5.pdf). Dit rapport bevat naast de samenvattingen van de discussies ook de uitgebreide introducties door topexperts ter zake. De uitkomsten van deze virtuele meeting worden straks voorgesteld tijdens de Europese top voor Biodiversiteitsonderzoek in Firenze (20-24 november 2003).
 

2.2. DE TRICOLOR EN DE EFFECTEN VAN OLIE OP NATUURWAARDEN IN DE KIJKER

Het autovrachtschip Tricolor, dat na een botsing met de Kariba op 14 december 2002 in Franse wateren tot zinken kwam, is nog niet volledig geborgen. Met een ingenieus systeem verzaagde de Combinatie Berging Tricolor het schip in 9 stukken van elk zo’n 20.000 ton, waarvan sinds juli reeds vijf stukken in Zeebrugge aan wal werden gebracht. Intussen zijn de resterende delen grotendeels ineengezakt en wordt de verwijdering van dit schroot verdaagd tot na de winter. Er zou in afwachting weinig of geen gevaar meer zijn voor de scheepvaart, vermits het hoogst uitstekende deel nog steeds 17 meter onder het zeeoppervlak blijft. Ook zou de nog in de wrakresten aanwezige hoeveelheid olie beperkt zijn. Komt er dan eindelijk een eind aan de vele ellende die het hele gebeuren veroorzaakte tijdens het afgelopen jaar?

Laat ons hopen, want de tot nu toe aangerichte schade is niet van de poes. Daarvan getuigt o.a. het kersverse en mooi uitgegeven rapport ‘Het Tricolor incident: de gevolgen voor zeevogels in de Belgische zeegebieden’, een uitgave van de Beheerseenheid Mathematisch Model van de Noordzee (BMM). Het rapport is geschreven door experts van BMM en het Instituut voor Natuurbehoud en kan gedownload of in hard-copy opgevraagd worden via: http://www.mumm.ac.be/NL/News/page2.php (of telefonisch bij Sigrid Maebe: 02/773 21 35). Het rapport vermeldt dat alleen al aan de Belgische kust 9.177 getroffen vogels van in totaal 32 verschillende soorten werden verzameld, waarvan iets meer dan de helft nog leefde bij het aanspoelen. Het rapport gaat niet in op de verzorging en overlevingskansen van deze vogels. Dat deed Claude Velter – coördinator van het crisisteam in België ten tijde van de olieramp –  wel ter gelegenheid van het ‘Tricolor symposium’, op 25 oktober door de Nederlandse Zeevogelgroep georganiseerd op Neeltje Jans: van de in België levend binnengebrachte slachtoffers kon ca. 12% worden gered en vrijgelaten. Dankzij de inzet van vele professionelen en vrijwilligers, al bij al geen slecht resultaat (cf. nooit geziene golf aan binnengebrachte vogelslachtoffers). Maar ongetwijfeld ook een magere troost voor de vogels die het niet hebben gehaald…
 

2.3. RAPPORT OVER GEOLOGIE VAN BELGISCH CONTINENTAAL PLAT

Voor wie een mooie synthese wil van de geologie van het Belgisch Continentaal Plat, is het rapport ‘Tertiary and quaternary geology of the Belgian Continental Shelf’ een aanrader. Dit rapport werd samengesteld door het Renard Centre of Marine Geology (RCMG) van de Gentse Universiteit en bevat een schat aan informatie en kaartmateriaal van de oppervlakkige en ondiepe tertiaire gesteentes in het Belgisch deel van de Noordzee. Het rapport kan aangevraagd worden via de website van het Federaal Wetenschapsbeleid: http://www.belspo.be/belspo/home/publ/index_nl.stm. Het initiatief vloeit voort uit het project ‘Optimal Offshore Wind Energy Developments in Belgium’ en wordt gefinancierd door de Belgische federale overheid in het kader van de tweede fase van het Plan ter Ondersteuning van Duurzame Ontwikkeling, PODO-II.
 

2.4. BELGIË KENT NAAR SCHATTING 55.000 SOORTEN LEVENDE ORGANISMEN

In een nieuw boek, van de hand van Marc Peeters, Anne Franklin en Jackie Van Goethem, is voor het eerst een globaal beeld geschetst van de biodiversiteit van ons landje. Niet minder dan 36.300 soorten micro-organismen, planten, fungi en dieren zijn tot op heden op Belgisch grondgebied vastgesteld. Naar schatting ligt het werkelijke aantal ergens rond de 55.000 soorten, wat zou betekenen dat naar schatting 2/3 van de soorten reeds gekend zijn. In ‘Biodiversity in Belgium’ wordt ook veel aandacht besteed aan het mariene milieu, met een apart hoofdstuk over de veelheid aan levensvormen in zee, van de hand van Francis Kerckhof en Jean-Sébastien Houziaux. Het boek ‘Biodiversity in Belgium’ telt 416 pagina’s en kan besteld worden aan de prijs van 25 EUR door naam en adres kenbaar te maken bij Marc Peeters, KBIN, Vautierstraat 29, B-1000 Brussel (marc.peeters@naturalsciences.be; Fax: 02/627 41 41). Het boek is ook consulteerbaar in de VLIZ bibliotheek.
 

2.5. WE VISSEN TE DIEP EN TE VER VAN DE KUST

EOS, het magazine over wetenschap en technologie, besteedt in zijn recentste nummer bijzondere aandacht aan de overbevissing van de wereldzeeën. In een artikel met als titel ‘De laatste vis wordt geteld’ (EOS 10, oktober 2003, p. 10-15) wordt een geïllustreerde vertaling gebracht van een ophefmakende publicatie van de hand van Daniel Pauly en Reg Watson. Beide auteurs zijn visserij-experts van het Sea Around Us Project in Vancouver (Canada), dat als thuisbasis het Fisheries Center aan de Universiteit van Brits Columbia heeft, en worden beschouwd als wereldautoriteiten ter zake.

Samenvattend stelt het artikel dat het ronduit slecht gaat met de visstand wereldwijd. Vooral de grotere roofvissen zoals Kabeljauw en Tonijn kregen rake klappen. Naar schatting zijn de stocks voor Kabeljauw nu nog slechts 10% van wat ze ooit geweest zijn. De resterende vis wordt steeds kleiner vermits ze nauwelijks de tijd krijgen uit te groeien tot grote individuen. Door steeds weer te focussen op de grootste vissen bovenaan het voedselweb – en als die ‘op’ zijn lager in de voedselketen nieuwe doelsoorten uit te kiezen – wordt het ecosysteem van de zee ontwricht. Om toch nog als sector te kunnen overleven en te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar vis, zoekt de visserij steeds meer haar toevlucht tot gebieden ver uit de kust en op grote diepte. Als gevolg van de intensieve visvangst is de wereldwijde visvangst sinds eind de jaren ’80 gedaald met gemiddeld 700.000 ton per jaar. Als slot reiken de auteurs ook oplossingen aan, waarin vooral het creëren van marien beschermde gebieden als noodzakelijke maatregel centraal staat. Door visserijvrije zones aan te duiden en te beheren, creëert men toevluchtsoorden en veilige paai- en opgroeigebieden, van waaruit de zee opnieuw kan worden bevoorraad, zo luidt de conclusie.

Geïnteresseerd in dit artikel? Onze bibliothecaris helpt je er graag mee (jan.haspeslagh@vliz.be).
 

2.6. ONVERMOEDE GOLFHOOGTES EN VERGANE SCHEEPSGLORIE

Torenhoge, uit het niets opdoemende golven of ‘freak-waves’ zijn de schrik van elke zeevaarder. Toen op 12 december 1978 het onzinkbaar geachte schip de ‘München’ na een hulpbericht van de aardbol leek te zijn verdwenen, kon men bij de zoekactie niets meer terug vinden dan een reddingsvlot. De enorme torsie die kon worden vastgesteld aan een onderdeel van dit vlot, toonde aan dat een buitengewoon sterke kracht aan het werk was geweest. Later volgden nog meer voorvallen en getuigenissen (voor zij die het nog konden navertellen…) van gigantische, plots opdoemende steile golven van wel 25-30 m hoog, vaak voorafgegaan door diepe troggen. De wetenschap stond voor een raadsel. Het Europese FP-5 project ‘MaxWave’ (http://w3g.gkss.de/projects/maxwave/), waaraan de KU Leuven (prof. Jaak Monbaliu) deelnam, probeerde tussen 2000 en 2003 een beter inzicht te verkrijgen in het fenomeen, met als doel te kunnen adviseren bij mogelijke preventieve acties. Een analyse van 245 scheepsongevallen, waarvoor de ‘Lloyd’s Marine Information Service’ aangeeft dat ze in zware weersomstandigheden plaatsvonden, bracht aan het licht dat steile golven en het samen voorkomen van zeegang en deining uit verschillende richtingen (‘cross-seas’) indicatoren zijn voor gevaarlijke situaties. Ook gebieden met sterke zeestromingen zijn gevaarlijk omwille van de interactie tussen de golven en de stroming, en de hieruit voortvloeiende focussing van golfenergie.  In combinatie met de scheepvaartdrukte zorgt dit voor de meeste ongevallen t.h.v. Japan (Koero Sjio stroom), de Noord-Atlantische Oceaan (Golfstroom) en de tip van Zuid-Afrika (Agulhas stroom).

Wie nog meer wil lezen over scheepsongevallen of scheepvaart over de oceanen, wijzen we graag op de website ‘Vergane Glorie’: http://users.skynet.be/verganeglorie/. In het luik 'Passagiersschepen', kun je van alles vernemen over de Transatlantische Overvaarten die op het einde van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw massa's mensen de oceaan deed oversteken, hoofdzakelijk naar Amerika toe. Je start er bij de eerste stoomschepen om vervolgens via de ontwikkeling van de schroef en stoomturbine uit te komen bij de Grote Passagiersschepen, de drijvende steden van de oceaan. Aan dit deel gekoppeld is er ook een hoofdstuk over 'Scheepsrampen'. Hierin vind je meer dan 50 bekende en minder bekende rampen die de scheepvaart in de voorbije 170 jaar teisterden. Berucht is de ramp met de Titanic, waaraan verscheidene webpagina's gewijd zijn, maar ook de Lusitania, de Empress of Ireland, Wilhelm Gustloff en de Herald of Free Enterprise zijn in het overzicht opgenomen.
 

3.1. INDICATOREN DUURZAAM KUSTBEHEER ZUIDELIJKE NOORDZEE: VLIZ ZOEKT GEGADIGDE

Het transnationale partnership SAIL (http://www.sailcoast.org/index.shtml) streeft naar een geïntegreerd kustzonebeleid voor de zuidelijke Noordzee, meer bepaald de regio’s Zeeland, West-Vlaanderen, Nord-Pas de Calais, Kent en Essex. Vanuit haar doelstelling om informatie voor alle betrokken regio’s op een uniforme wijze te verzamelen, zoekt SAIL voor snelle indiensttreding een universitair of een persoon met vergelijkbaar diploma. De kandidaat zal in nauw overleg met alle partners een set aan duurzaamheidsindicatoren samenstellen en invullen, die de regio moet toestaan zich op een duurzame wijze verder te ontwikkelen. De job heeft een termijn van max. 22 maanden (loopt af 31 oktober 2005), heeft als vestigingsplaats het VLIZ (Oostende) en biedt uitstekende kansen om zich te ontplooien in een dynamische en internationale context. Van de kandidaat wordt verwacht dat hij/zij uitstekende communicatievaardigheden bezit, vloeiend Nederlands, Frans en Engels beheerst en enige vertrouwdheid heeft met IT. Kennis van de kust- en zeeproblematiek, en ervaring met databeheer (incl. GIS) strekt tot aanbeveling. Meer info op: http://www.vliz.be/Nl/About/vacatures.htm#SAIL

Hou de nieuwe vacaturepagina (http://www.vliz.be/Nl/About/vacatures.htm) van het VLIZ in de gaten. Het VLIZ verwacht tussen nu en februari 2004 minstens zes medewerkers te kunnen aantrekken voor zijn datacentrum.
 

3.2. POSTDOC POSITIE IN USA VOOR ONDERZOEK NAAR ADAPTATIE BIJ ONGEWERVELDE BODEMDIEREN

Misschien is dit wel iets voor mariene of zoetwaterbiologen die na hun doctoraat op zoek zijn naar een aantrekkelijke job in de Verenigde Staten? In de onderzoeksgroep van Jeffrey Levinton aan de Stony Brook University (http://life.bio.sunysb.edu/marinebio/mbweb.html) hengelt men naar een expert in zoetwater of mariene benthische ecologie en populatiebiologie. Ervaring met aspecten van populatiegenetica van waterorganismen strekt tot aanbeveling. De job gaat in op 1 februari 2004 en de kandidaat dient vóór 1 december 2003 een cv, sollicitatiebrief en ten minste twee aanbevelingsbrieven over te maken aan: Jeffrey S. Levinton, Department of Ecology and Evolution, Stony Brook University, Stony Brook, NY 11794-5245, USA. Solliciteren kan ook via e-mail (levinton@life.bio.sunysb.edu) in pdf of MS-Word format. De duur van het project bedraagt twee jaar.
 

3.3. MUSEUM MIDDEN-AFRIKA ZOEKT DESKUNDIGE VOOR STUDIE VISFAUNA CONGOBEKKEN

In het kader van een vierjarige onderzoeksactie van het Federale Wetenschapsbeleid, zoekt het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (http://www.africamuseum.be) een onderzoek(st)er voor het departement Afrikaanse Zoölogie, afdeling vertebraten. De kandidaat zal zich, o.l.v. de curator voor ichtyologie van het KMMA, verdiepen in de visfauna van het Congobekken. Het betreft hier zowel de studie van bestaande collecties, het maken van taxonomische revisies, determinatiesleutels, verspreidingskaarten en publicaties als het voorbereiden van terreinwerk in Congo om nieuwe collecties aan te leggen. Van de kandidaat wordt verwacht dat hij/zij een diploma bezit van licentiaat in de biologie (dierkunde), theoretische en praktische kennis heeft van taxonomie en ichtyologie, en flexibel en sterk gemotiveerd is. Bereid zijn om deel te nemen aan terreinwerk in Afrika is een vereiste. Kandidaten dienen vóór 12 december 2003 een sollicitatiebrief te richten aan de heer Guido Gryseels, directeur van het KMMA, Leuvensesteenweg 13, B-3080 Tervuren, met linksboven op de briefomslag, de vermelding: S/ICHT. Solliciteren via e-mail kan ook op jobs@africamuseum.be met vermelding S/ICHT. Voor meer informatie: jobs@africamuseum.be of Tel.: 02/769 56 28.
 

3.4. ONDERZOEKSSTAGES IN HET VLAAMSE PARLEMENT: HET KAN!

Het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (viWTA: http://www.viwta.be/) is een nieuwe en onafhankelijke onderzoeksinstelling verbonden aan het Vlaams Parlement. Zij onderzoekt de maatschappelijke aspecten van wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen, door beleidsvoorbereidende studie en analyse en het organiseren van publieksparticipatie. In dit kader wil viWTA studenten uit de humane, biomedische, exacte en gedragswetenschappen de kans bieden een onderzoeksstage te doorlopen aan het Vlaams Parlement. De student wordt gedurende een bepaalde tijd ingeschakeld in de werking van het Wetenschappelijk Secretariaat en kan zo ervaring opdoen met interdisciplinair wetenschappelijk onderzoek binnen de context van samenleving en technologie. Naast projecten m.b.t. energie en klimaat enerzijds en de levenswetenschappen anderzijds, gaat ook veel aandacht naar doorlopende activiteiten zoals methodologie, communicatie tussen wetenschappers, politici en publiek en de blijvende aandacht voor de interactie tussen wetenschap en samenleving. Geïnteresseerden kunnen een kandidatuur indienen vóór 15 december 2003, met vermelding van de naam, studierichting, promotor en een korte beschrijving van het geplande werk, op het volgende adres: viWTA – Samenleving en Technologie, t.a.v. R. Berloznik, directeur, Vlaams Parlement, B-1011 Brussel. Het Wetenschappelijk Secretariaat van viWTA zal dan in januari 2004 op basis van individuele gesprekken overgaan tot selectie van kandidaten voor de stageperiode. De duur van de stage (min. 3 maanden) staat in functie van de overeengekomen taken.
 

4.1. NIEUWS VAN HET WINDENERGIE-FRONT

Europa is vandaag de dag koploper in de ontwikkeling van windenergie. Met een geïnstalleerde capaciteit van ca. 25 GW herbergt het zo’n 90% van de wereldwijde capaciteit of 2% van het totale Europese elektriciteitsverbruik. Al bij al bescheiden zult u misschien zeggen. Ja, maar er zit groei in de sector, niet in het minst door de ontwikkeling van grotere offshoreparken. In de Noordzee zijn nu nauwelijks 100 windmolens gerealiseerd, waarvan het nieuwe Deense Horns Rev park (http://www.hornsrev.dk/Engelsk/default_ie.htm) met 80 turbines van elk 2 MW het leeuwendeel voor zijn rekening neemt. De European Wind Energy Association (EWEA: http://www.ewea.org) verwacht echter dat in 2010 in Europa reeds 75 GW aan capaciteit zal bestaan, waarvan 10 GW offshore zal gerealiseerd zijn. Voor 2020 bedragen de targets zelf 180, resp. 70 GW. Met concrete plannen voor grootschalige initiatieven in o.a. Duitsland, Ierland en Engeland zouden deze ‘targets’ wel eens een haalbare kaart kunnen blijken.

Ook de Lage Landen lijken intussen af te stevenen op de ontwikkeling van hun eerste offshore windparken. In Nederland zitten zowel het Q7-windparkproject van E-Connection (60 turbines van elk 2 MW te bouwen op 24 km voor IJmuiden) als het Near Shore Windpark (36 turbines van elk 2,75 MW te bouwen op 10 km voor Egmond aan Zee) min of meer op schema. Verwachting is dat het Q7-windpark kan gebouwd worden in de zomer van 2004, voor het NSW wordt het waarschijnlijk pas 2005. In België maakt de nieuwe minister van de Noordzee, Johan Vande Lanotte, er intussen een punt van een grootschalig windmolenproject te realiseren op de ca. 30 km uit de kust gelegen Thorntonbank. Het consortium C-Power heeft sinds 27 juni 2003 een domeinconcessie op zak voor een eerste fase.
C-Power doorloopt momenteel de mer-procedure, voor de bouw van een 60 x 3,6-5 MW park (http://www.c-power.be). Op 10 oktober diende C-Power een MER in bij de bevoegde autoriteiten en van 18 november tot 19 december is er een uitgebreide publieke inspraakprocedure voorzien. Alle documenten zijn zowel op de website van BMM (http://www.mumm.ac.be/NL/News/index.php) als in elk van de kustgemeenten consulteerbaar. Als alles goed loopt, hoopt C-Power in de zomer van 2004 te kunnen starten met de bouw.
 

4.2. DRINKEN ZEEVISSEN ZEEWATER?

Als ze al drinken, hebben ze weinig keus in wat ze kunnen drinken. Maar drinken ze ook daadwerkelijk zeewater? Het antwoord is dubbel: beenvissen doen het wel, kraakbeenvissen (haaien en roggen) niet of nauwelijks. De reden hiervoor is dat alle dieren voor de uitdaging staan hun vochtgehalte op peil te houden in een omgeving die wateraanzuigend dan wel waterpulserend kan zijn. Vooral als men in een waterige omgeving leeft, bestaat immers het risico dat een dier doorheen zijn doorlaatbare lichaamswand, via zijn kieuwen of met de urine heel wat water verliest (als de zoutconcentratie buiten het dier hoger ligt dan erbinnen) of opzwelt door passieve wateropname langs de huid (als de zoutconcentratie in het dier hoger ligt dan erbuiten). Voor dieren die in zee leven zijn er in grote lijnen twee oplossingen. ‘Conformers’ - de meeste ongewervelden en de haaien en roggen – kunnen doorgaans geen grote wijzigingen in zoutgehalte verdragen. Ze passen de zoutconcentraties in hun cellen aan aan die in het omringende zeewater. Om dit te bereiken hoeven haaien en roggen niet te drinken. Ze zijn immers in staat hoge concentraties aan het giftige ureum te verdragen in hun lichaamsvocht waardoor ze osmotisch in evenwicht zijn met hun omgeving. Daarnaast bezitten ze een soort ‘extra nier’ die hen in staat stelt, als het moet, vloeistoffen uit te scheiden die zouter zijn dan het omgevende zeewater. ‘Regulators’ daarentegen – beenvissen, zeeschildpadden, zeevogels en zeezoogdieren – streven naar het behoud van hun inwendige lage zoutconcentraties, ook al is het omringende zeewater meerdere malen zouter. Vermits ze door dit osmotisch verschil met hun omgeving systematisch worden ontwaterd, moeten ze dit tekort aanvullen door te drinken (vissen) en/of water op te nemen met hun voedsel (zeereptielen, -vogels en –zoogdieren). Maar met het opgenomen zeewater krijgen ze ook heel wat zout binnen. Dit overtollig zout wordt geëlimineerd via de kieuwen of de nieren. Nog efficiënter is de excretie m.b.v. speciale zoutklieren. Op die wijze kunnen zeeschildpadden, zeekrokodillen, zeeslangen, zeeleguanen en heel wat zeevogels tot vijf keer sneller het teveel aan zout afscheiden.

Deze en veel andere leerrijke vragen en antwoorden vind je in de rubriek ‘Onze kust’, op http://www.vliz.be/Nl/coast/coast.htm
 

4.3. HEEL WAT MERKWAARDIG ZEEZOOGDIERENNIEUWS

Met de winter in aantocht is er heel wat interessant zeezoogdierennieuws te melden uit het zuidelijke Noordzeegebied. De Marine Mammal-database van zeevogel- en zeezoogdierenspecialist Kees Camphuysen (http://home.planet.nl/~camphuys/Cetacea.html) meldt dat het weer goed raak was de afgelopen maanden met zelfs enkele waarnemingen van Dwergvinvis in het noorden van het Nederlands Continentaal Plat. Ook waren er reeds vroeg heel wat Bruinvissen te melden langs de Hollandse kust. De meest bizarre melding kwam echter van de Nieuwe Waterweg, waar op 29 september een ronddobberende dode Bultrug werd ontdekt. Het dier werd terstond naar zee gesleept om vervolgens op 7 oktober aan te spoelen op de Maasvlakte. Meteen een eerste melding van deze sensationele soort voor de zuidelijke Noordzee!

Dit najaar werden in Belgische wateren nog geen waarnemingen verricht van levende Bruinvissen. Wel sensationeel was de recente waarneming door de VLIZ-medewerker Francisco Hernandez van 4 Witsnuitdolfijnen. De dieren gaven een spectaculaire springshow ten beste op zondag 9 november (ca. 11u) t.h.v. de Inner Ruytingen zandbank, en verschenen opnieuw op maandag 10 november (tussen 14-15 u) tussen de Buiten Ratel en Oostdijck bank in. John Nuyts (AWZ/WWK) was zo vriendelijk ons te melden dat ook hij op woensdag 13 november (16u) t.h.v. de Westhinder 3 Witsnuiten kon ontdekken en fotograferen. Waren dit dezelfde dieren?
Marc Van De Walle (IN) meldde op 21 oktober ook nog een Gewone zeehond bij het buitenvaren van de Zeebrugse haven. En wie nog meer waarnemingen wil, van zowel gestrande als kerngezonde rondzwemmende zeezoogdieren, verwijzen we graag door naar de zeezoogdierendatabank van BMM:
http://www.mumm.ac.be/NL/Management/Nature/search_strandings.php. Nog een interessant medium voor zeezoogdierfanaten is: http://www.zeezoogdieren.be. Je vindt er heel wat actuele informatie over zeehonden, dolfijnen en walvissen. Geïnteresseerden kunnen er zich ook gratis inschrijven op een digitale nieuwsbrief.
 

4.4. ZEEKOMKOMMERTIJD?

Nee, dit is geen grap. Ook in onze Noordzee komen ze voor. Zeekomkommers zijn geen planten, maar worstvormige dieren verwant aan zeesterren en zee-egels (http://tolweb.org/tree?group=Holothuroidea&contgroup=Echinodermata). Ze zijn vooral bekend van tropische en subtropische zeeën en van de diepzee, waar soorten voorkomen van 20-30 cm lang (één soort wordt zelfs 5 meter lang!). Ze leven op of in de bodem, en zijn nogal gegeerd in Aziatische keukens en in de farmaceutische industrie. Van de wereldwijd ca. 1400 geregistreerde soorten werden er tot nu toe slechts vier gevonden in de Noordzee, allen van bescheiden afmeting en behorend tot de orde van de Dendrochirotida. Recent kwam daar een nieuwe ontdekking bovenop. Onderzoekers van de Gentse universiteit en het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) vonden bij staalnames op de Vlaamse banken de minuscule soort Leptosynapta minuta. Het diertje meet nauwelijks 1 cm en behoort tot een orde (Apodida), nooit eerder ontdekt in België. Bijna honderd jaar na zijn eerste ontdekking zijn slechts enkele waarnemingen voorhanden die nochtans duiden op een algemene verspreiding langs West-Europese en mediterrane kusten. Ondanks intensieve staalnamecampagnes de laatste dertig jaar in de Noordzee was deze soort er nooit aangetroffen. Geen wonder, voor een dier met de vorm en grootte van een muizenstrontje…
 

4.5. DOCTORAATSVERDEDIGINGEN e.a.

We zouden het erg op prijs stellen als alle onderzoekers die de datum van hun verdediging reeds kennen, of postuum het resultaat van de verdediging willen kenbaar maken, dit zouden laten weten aan jan.seys@vliz.be
 


Aan zij die nu van een welverdiende rust genieten (?) een dikke proficiat. Voor Hans veel sterkte en inspiratie in deze eindfase van je doctoraat!
 

5. VRAAGBAAK DE  ‘ZEELOODS’

Via deze rubriek kan iedereen oproepen lanceren voor samenwerking, gezamenlijk gebruik van materiaal, vraag naar levende en andere monsters, enz. De informatie dient gestuurd te worden naar Jan Seys. We nemen het bericht op in de vraagbaak van één van de volgende VLIZINES.
 


DISCLAIMER

VLIZINE heeft als doel informatie te verstrekken. Eventuele standpunten zijn die van de auteurs en stemmen niet noodzakelijk overeen met die van het VLIZ. Het VLIZ is niet verantwoordelijk voor enige schade opgelopen ten gevolge van foutieve of verkeerd geïnterpreteerde informatie in dit e-zine, noch voor de inhoud van websites waarnaar verwezen wordt.

Uw adres opgenomen in onze e-zine rondzendlijst wordt niet aan derden doorgegeven zonder uw toestemming en wordt niet gebruikt voor commerciële doeleinden.
 

COPYRIGHT

Copyright © 2003 Vlaams Instituut voor de Zee. Delen uit dit e-zine mogen in andere publicaties worden overgenomen, maar uitsluitend met bronvermelding. Deze publicatie mag wel in haar geheel ter kennismaking worden doorgestuurd naar derden.
 

LID WORDEN VAN HET VLIZ KAN

Meer info vindt u op onze website.
 

WEBSITE

http://www.vliz.be
 
 
 

VLIZ
Vlaams Instituut voor de Zee vzw
Flanders Marine Institute
Vismijn Pakhuizen 45-52 - B-8400 Oostende, Belgium
Tel. +32/(0)59 34 21 30
Fax +32/(0)59 34 21 31
http://www.vliz.be