IMIS | Flanders Marine Institute
 

Flanders Marine Institute

Platform for marine research

IMIS

Publications | Institutes | Persons | Datasets | Projects | Maps
[ report an error in this record ]basket (0): add | show Printer-friendly version

Zandvoorraden van het kustsysteem: onderbouwing van een conceptueel model met behulp van trends van de winst- en verliesposten over de periode 1973-1997
Nederbragt, G. (2006). Zandvoorraden van het kustsysteem: onderbouwing van een conceptueel model met behulp van trends van de winst- en verliesposten over de periode 1973-1997. Rapport RIKZ = Report RIKZ, 2005.033. Rijkswaterstaat. Rijksinstituut voor Kust en Zee: [s.l.]. 41 pp.
Part of: Rapport RIKZ = Report RIKZ. Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ): s-Gravenhage. ISSN 0927-3980, more

Available in  Author 

Keyword
    Marine

Author  Top 
  • Nederbragt, G., more

Abstract
    In dit rapport wordt een conceptueel model gepresenteerd voor het bepalen van de suppletiebehoefte. Het model gaat er vanuit dat de Nederlandse kust op een tijdschaal van 50 tot 200 jaar zonder zeespiegelstijging en zonder menselijke ingrepen in een (morfologisch) stabiele toestand verkeert. De suppletiebehoefte kan in dat geval sterk vereenvoudigd worden berekend door de oppervlakte van het kustsysteem te vermenigvuldigen met de zeespiegelstijging.

    In de 3' Kustnota (2000) is becijferd dat bij een zeespiegelstijging van 20 cm/eeuw de suppletiebehoefte 12 Mm3/jaar bedraagt. Na het verschijnen van Mulder (2000), die de onderbouwing voor dit getal gaf, is in de Nota Ruimte (2004) de begrenzing van het kustfundament vastgelegd. De zeewaartse grens bestaat uit de doorgaande NAP -2Om lijn, aan de landzijde vormt de binnenduinrand de grens. De Waddenzee en de Westerschelde maken geen deel uit van het kustfundament. Deze definitie van het kustfundament, tezamen met een grotere beschikbaarheid van gegevens, waren de aanleiding om nieuwe berekeningen uit te voeren. Op basis van geanalyseerde gegevens over de periode 1973-1997 van het gehele Nederlandse kustsysteem (kustfundament, Waddenzee en Westerschelde) wordt geconcludeerd dat het conceptuele model een goed uitgangspunt vormt voor het bepalen van de suppletiebehoefte. Aandachtspunt is de momenteel optredende versterkte sedimentatie van de estuaria (door aanpassing van het kustsysteem na aanleg van grootschalige kunstwerken als de Afsluitdijk).

    Er wordt in dit rapport geen uitspraak gedaan over de wijze waarop het zand langs de kust verdeeld moet worden. Hiervoor dient een uitvoeringskader te worden opgesteld, waarmee op een slimme manier aan het waarborgen van de zandvoorraden van het kustfundament kan worden voldaan. Dit uitvoeringskader dient tevens een antwoord te geven op de vraag hoe in de toekomst met zandwinning binnen het kustsysteem moet worden omgegaan.

    De ten opzichte van Mulder (2000) door de huidige berekende trends uit het verleden gewijzigde inzichten en het conceptuele model zullen, samen met het toekomstbeeld, bijdragen aan de evaluatie van de 3' Kustnota (2000), die gepland staat voor het najaar van 2006. Hierbij dienen tevens huidige beleidsontwikkelingen, zoals zwakke schakels en bescherming van buitendijkse bebouwing, gezet te worden naast de inspanningen die momenteel geleverd wordt voor kustlijnzorg. Ook deze beleidsontwikkelingen kunnen een plaats krijgen in het uitvoeringskader.


All data in IMIS is subject to the VLIZ privacy policy Top | Author