IMIS | Flanders Marine Institute
 

Flanders Marine Institute

Platform for marine research

IMIS

Publications | Institutes | Persons | Datasets | Projects | Maps
[ report an error in this record ]basket (0): add | show Printer-friendly version

Wetenschappelijke ondersteuning van de uitvoering van het palingbeheerplan: Inventarisatie pompgemalen en inventarisatie van de technische karakteristieken en waterbeheersaspecten van prioritaire zout-zoetovergangen
Stevens, M.; Buysse, D.; Van den Neucker, T.; Gelaude, E.; Baeyens, R.; Jacobs, Y.; Mouton, A.; Coeck, J.; van Vessem, J. (2011). Wetenschappelijke ondersteuning van de uitvoering van het palingbeheerplan: Inventarisatie pompgemalen en inventarisatie van de technische karakteristieken en waterbeheersaspecten van prioritaire zout-zoetovergangen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2011.38. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO): Brussel. 89 pp.
Part of: Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel. ISSN 1782-9054, more

Available in Authors 

Keywords
    Eels; Migratory species; Anguilla anguilla (Linnaeus, 1758) [WoRMS]; Marine; Brackish water; Fresh water

Authors  Top 

Abstract
    Inventarisatie pompgemalen In het kader van de opvolging van het palingbeheerplan (Anoniem, 2009) werd een inventaris opgemaakt van pompgemalen op openbare waterlopen in Vlaanderen. In totaal werden de gegevens van 172 pompgemalen ontvangen. Het grootste deel van deze pompgemalen wordt beheerd door polders en wateringen. De helft van de pompgemalen zijn uitgerust met schroefpompen, welke ook de meest schadelijke pomptypes zijn. De andere gemalen zijn uitgerust met vijzels (23%), centrifugaalpompen (16%) en dompelpompen (12%). De pompwerking is het hoogst in het voor- en het najaar. Bijna de helft van de jaarlijkse pompwerking valt samen met de periode van stroomafwaartse migratie van zilverpaling (augustus-december). Ze hebben dan ook potentieel een zeer grote impact op de wegtrekkende palingen. De totale mortaliteit van zilverpaling door pompgemalen in de huidige omstandigheden wordt geschat tussen 0.5 en 1.7 ton per jaar. Onder natuurlijke omstandigheden zou de jaarlijkse mortaliteit variëren tussen 4.1 en 14.2 ton. Dit is lager dan de schattingen uit het palingbeheerplan en is te wijten aan de verfijning van de methode. We hebben echter geen zicht op de betrouwbaarheid van deze cijfers, omdat betrouwbare schattingen over de huidige palingdensiteit en de natuurlijke productie ontbreken. Op basis van de geschatte mortaliteit onder natuurlijke omstandigheden werd per bekken een prioritering opgesteld voor de sanering van de pompgemalen. Twee derde van de pompgemalen ligt op waterlopen van de prioriteringskaart vismigratie (Beneluxbeschikking M(2009)1). Migratieknelpunten op de prioritaire waterlopen van deze kaart moeten zowel in stroomop- als stroomafwaartse richting opgelost worden tegen 2027. Migratieknelpunten op de aandachtwaterlopen van de prioriteringskaart moeten in stroomafwaartse richting passeerbaar gemaakt worden. Voor pompgemalen die passeerbaar gemaakt moeten worden, werd een leidraad opgesteld. Bij het passeerbaar maken van een pompgemaal zijn meerdere scenario’s mogelijk. Deze zijn in afnemende mate van wenselijkheid: verwijderen pompgemaal vervangen door visvriendelijke pompen plaatsen van een visafschrik- EN visgeleidingsysteem aangepast beheer. De effectiviteit van aangepast beheer als milderende maatregel moet echter verder onderzocht worden. Gezien het aantal pompgemalen en de versnippering van het beheer ervan, is een gestructureerde aanpak van de sanering noodzakelijk, waarbij waterbeheer en natuurbeheer op mekaar afgestemd moeten worden. De oplossing voor de migratieproblematiek ter hoogte van een pompgemaal is per definitie locatiespecifiek en vraagt de nodige terreinkennis en specifieke expertise. Inventarisatie zoet-zoutovergangen Eén van de hoofdoorzaken voor de lage productie van zilverpaling in Vlaanderen is de onbereikbaarheid van het opgroeigebied van paling door migratiebarrières. De mogelijke toegangsroutes voor glasaal aan onze kust zijn grotendeels afgesloten door schuiven en sluizen. Als eerste stap naar het passeerbaar maken van deze barrières, werden een aantal belangrijke zoet-zoutovergangen aan onze kust geïnventariseerd. Alle besproken spuiconstructies hebben een gelijkaardig schuivensysteem dat aangedreven wordt met een elektrische motor. Alleen bij het Schipdonkkanaal en het Leopoldkanaal is er een automatische bediening. De andere spuiconstructies (Maartensas, Blankenberge en Sas www.inbo.be Wetenschappelijke ondersteuning van de uitvoering van het palingbeheerplan 5 Slijkens) worden manueel bediend. Voor het Sas van Slijkens zijn er wel plannen voor automatisatie. Op dit ogenblik wordt het volledige debiet van de betrokken waterlopen gravitair geloosd bij laag water. Door de beperkte lozingscapaciteit van het Leopoldkanaal, zal er echter een pompgemaal gebouwd worden dat bij piekdebieten het overtollige water naar het Schipdonkkanaal pompt. Ook in het bekkenbeheerplan van de Brugse Polders is de bouw van een pompgemaal aan het Maartensas en/of in Blankenberge opgenomen als actiepunt. De optrek van glasaal naar het binnenland kan mogelijk gemaakt worden via aangepast beheer van de schuiven. Hierbij worden tijdens het opkomend tij de spuischuiven beperkt geopend, zodat glasalen stroomopwaarts kunnen migreren met het instromende water (zie Mouton et al., 2009 voor de IJzermonding als voorbeeld). Bij zoet-zoutovergangen met een beperkt afvoerdebiet bestaat er echter kans op verzilting van de waterloop omdat door de beperkte afvoer bij laag water dan te weinig brak water afgevoerd kan worden. De randvoorwaarden voor dit alternatief spuibeheer worden op dit ogenblik onderzocht aan de IJzermonding. De resultaten van deze studie kunnen dan gebruikt worden om na te gaan onder welke omstandigheden een aangepast spuibeheer doeltreffend is om de optrek van glasaal te herstellen. Peilbeheer Uitkerksepolder In de huidige situatie is het stroomgebied van de Blankenbergsevaart en de Noordede niet optrekbaar voor vissen, zoals paling, die vanuit zee landinwaarts migreren. De uitstroomconstructies kunnen passeerbaar gemaakt worden voor glasaal door de schuiven op een kier te zetten bij hoog water. Op een aantal zijlopen van de Blankenbergsevaart zijn stuwen geplaatst, die slechts gedurende een beperkte periode van het jaar overstromen (late lente - zomer). Vermoedelijk vormen deze stuwen geen belemmering voor karperachtigen omdat ze tijdens hun migratieseizoen overstromen. De voortplantingsmigratie van snoek valt echter vroeger op het jaar, waardoor de stuwen waarschijnlijk niet passeerbaar zijn. Vanuit verschillende sectoren is er de vraag om het peilbeheer aan te passen. Enerzijds vraagt de natuursector voor een peilverhoging in de Uitkerksepolder in de winter, anderzijds ijvert het polderbestuur voor de plaatsing van pompen om de lozing getijongebonden te maken. Een combinatie van pompgemalen aan de uitstroomconstructies en stuwen in het natuurgebied is de meest voor de hand liggende oplossing. Indien pompen geplaatst worden, moeten deze visvriendelijk zijn en stuwen moeten passeerbaar zijn voor vissen.

All data in IMIS is subject to the VLIZ privacy policy Top | Authors