IMIS | Flanders Marine Institute
 

Flanders Marine Institute

Platform for marine research

IMIS

Publications | Institutes | Persons | Datasets | Projects | Maps
[ report an error in this record ]basket (0): add | show Printer-friendly version

Ecological consequences of a storm-surge barrier in the Oosterschelde: the salt marshes = Oecologische gevolgen van een stormvloedkering voor de schorvegetatie in de Oosterschelde
Groenendijk, A.M. (1987). Ecological consequences of a storm-surge barrier in the Oosterschelde: the salt marshes = Oecologische gevolgen van een stormvloedkering voor de schorvegetatie in de Oosterschelde. PhD Thesis. Rijksuniversiteit Utrecht: Utrecht. 177 pp.

Available in  Author 
    VLIZ: Non-open access 228572
Document type: Dissertation

Keywords
    ANE, Netherlands, Oosterschelde [Marine Regions]; Marine; Brackish water

Author  Top 
  • Groenendijk, A.M.

Abstract
    Dit proefschrift vormt het verslag van een plantenoecologische studie naar de gevolgen van de aanwezigheid van en het aktief beheer met de stormvloed-kering (SVK) in de Oosterschelde voor de schorplanten en de schorvegetatie. Alsmede is het een verslag van een studie naar de gevolgen van de aanwezigheid van de SVK en de sekundaire dammen op het organische stofgehalte en het nutriëntenniveau op het schor en in het Oosterschelde water. De schorren langs de Oosterschelde zijn van het estuariene type en worden gekarakteriseerd door grote fluktuaties in zoutgehalte en door een sterke getijdestroming, die een sterke kreek- en geulerosie te weeg brengt. Het getijverschil in het estuarium varieerde voor de bouw van de SVK van ca. 2,9 m bij de monding tot ca. 4 m in het meest landinwaarts gelegen deel. Op de slikken en het lage schor komt het zoutgehalte van de bodem overeen met dat van het getijdewater (16,2 - 17,5 promille Cl-). In de delen boven gemiddeld hoog water zorgen de weersomstandigheden voor grote fluktuaties in het zoutgehalte. Op het slik bestaat de vegetatie van het intergetijde gebied langs de Oosterschelde voornamelijk uit algen en zeegrassen. Vanaf ongeveer het niveau van doodtij worden de slikken gekoloniseerd door terrestrische halofyten, allereerst door Salicornia-soorten en door Spartina anglica. Het laagste niveau waarop deze kolonisatie begint hangt echter ook af van de mate van expositie. Tegenwoordig vormt Spartina anglica een brede en dichte vegetatiegordel aan de onderrand van het schor, voornamelijk beneden de gemiddelde hoogwaterlijn. Spartina komt ook nog lager op het schor voor en heeft daar een groot deel van de oorspronkelijke Salicornia- en Puccinellia-vegetatie vervangen. Tussen het niveau van gemiddeld hoogwater en gemiddeld springtij bevinden zich de plantengemeenschappen van het lage- en middenschor. Op het laagste deel worden de gemeenschappen gedomineerd door Puccinellia maritima en Triglochin maritima met als begeleidende soort Limonium vulgare. Hogergelegen komt een plantengemeenschap voor, die gedomineerd wordt door Plantago maritima en Limonium vulgare en één die gedomineerd wordt door Halimione portulacoides. Tussen de zone van gemiddeld hoogwater springtij en de stormvloed zone bestaat de vegetatie voornamelijk uit gemeenschappen waarin Juncus gerardii en Festuca rubra ssp. litoralis domineren, tezamen met soorten als Atriplex bastata, Atriplex littoralis en Elymus pycnanthus. In de hoogst gelegen delen van de stormvloed zone, waar brakke tot bijna zoete omstandigheden heersen, domineren soorten als Trifolium fragiferum, Plantago coronopus, Elymus pycnanthus, Lolium perenne en Cirsium arvense. Deze gemeenschappen maken slechts 1-2% van het totale schor-areaal uit en zijn beperkt tot het meest oostelijke deel van de Oosterschelde (het huidige Markiezaatsmeer). Tot voor kort bedroeg het schor-areaal langs de Oosterschelde ca. 1725ha. Na het gereedkomen van de Oesterdam en de Philipsdam zal in 1987 ongeveer 60% van dit gebied zijn afgesloten van het getijdewater en langzamerhand zijn zoute karakter verliezen. Als gevolg hiervan zal de oorspronkelijke zoutvegetatie verdwijnen. Sommige van de afgesloten gebieden zijn bijzonder waardevol omdat ze overgangszones tussen pleistocene en holocene sedimenten bezitten; dergelijke gradiënten zijn uniek voor Nederland en bevatten een eigen kombinatie van plantensoorten. Een ander aspekt van het afsluiten van het getijdewater is de tijdelijke toename in primaire produktie door een aantal soorten die gebruik weten te maken van de ontzilting, de verbeterde aëratie en de toegenomen mineralisatie in de bodem. In 1986 kwam de SVK gereed, waardoor het ondermeer mogelijk werd de Oosterschelde tijdelijk af te sluiten. Naast aktief beheer met de SVK ten behoeve van de bescherming tegen stormvloeden, behoren nog andere slui

All data in IMIS is subject to the VLIZ privacy policy Top | Author