IMIS | Flanders Marine Institute
 

Flanders Marine Institute

Platform for marine research

IMIS

Publications | Institutes | Persons | Datasets | Projects | Maps
[ report an error in this record ]basket (0): add | show Printer-friendly version

Het hyperbenthos van het Friese front
Rottiers, V. (1997). Het hyperbenthos van het Friese front. BSc Thesis. University of Gent, Zoology Institute, Marine Biology Section: Gent. 67 pp.

Thesis info:
    Universiteit Gent; Faculteit Wetenschappen; Vakgroep Biologie; Onderzoeksgroep Mariene Biologie (MARBIOL), more

Available in  Author 
  • VLIZ: Archive A.THES16 [5805]
  • VLIZ: Non-open access 226596
Document type: Dissertation

Keyword
    Marine

Author  Top 
  • Rottiers, V.

Abstract
    Het Friese front wordt gedefinieerd als de zone tussen de 30 en de 40 meter dieptelijn voor de kust van Nederland, met als geografische positie: 53°30' NB 4°OL en 54° NB 5° OL. Het gebied wordt gekenmerkt door een hoog slibgehalte en een rijke fauna. Over het hyperbenthos van het Friese front is tot op heden nog niets gekend. Dit onderzoek is een beschrijvende studie waarin de soortensamenstelling, densiteiten, biomassa's en diversiteiten van het hyperbenthos bestudeerd werden . Er werd ook nagegaan of er meerdere (en welke) hyperbentbische gemeenschappen aanwezig waren en of het hyperbenthos een respons vertoont ter hoogte van het front. Twee reeksen stalen (één in de zomer van '94, één in de lente van '96) werden genomen met een hyperbenthische slede langsheen twee transecten 100drecht op het front. Hierbij werden steeds metingen van temperatuur, diepte, fluorescentie en saliniteit gedaan. Voor de zomerstalenreeks zijn ook sedimentanalyses beschikbaar. In de 24 stalen werden 115 hyperbenthische soorten aangetroffen verdeeld over 16 taxonomische groepen. De belangrijkste taxonomische groepen voor de densiteit waren de Amphipoda (36 soorten), Copepoda (7 soorten), Chaetognatha (2 soorten) en Mysidacea (9 soorten) en voor de biomassa waren dit de Mysidacea en de Pisces (14 soorten). De meest belangrijke soorten voor de densiteiten zijn Calanus helgolandicus (gem. 81 N/100m²) Schistomysis ornata (gem. 60 N/100m²), Scopelocheirus hopei (gem. 44 N/100m²) Orchomene nana (gem. 23 N/100m²), de genera Sagitta (gem. 72 N/100m²), Diastylis (gem. 16 N/100m²) en Processa (postlarven) (gem. 13 N/100m²) en juvenielen van Liocarcinus (gem. 12 N/100m²). Het belangrijkste verschil met de biomassa's is dat de Gobiidae postlarven en Schistomysis spiritus belangrijk worden. Het verschil tussen de zomer- en de lentestalen was erg groot: zowel densiteit als biomassa lagen in de zomer minstens 7 maal hoger als in de lente. In de zomer waren dezelfde groepen belangrijk als voor de totale datamatrix ; in de lente zijn de vissen, de copepoden, en de Mysidacea de belangrijkste groepen. Ook de soortensamenstelling verschilde sterk tussen de seizoenen vooral bij de Mysidacea, de vissen, de Caridea en de Amphipoda. In de zomer werden volgende dominante soorten gevonden: Schistomysis ornata, Gobiidae postlarven, Processa sp. en Scopelocheirus hopei. In de lente waren dat Schistomysis spiritus en viseieren. De copepode Calanus helgolandicus en ook het genus Diastylis domineerden in beide seizoenen. In de zomer bereikten zowel de totale densiteit en biomassa als de densiteit en biomassa van de belangrijke taxonomische groepen een maximum op de frontstations, na het front namen de waarden weer af. Op frontstation ffzoA4 bedroeg de totale densiteit 3079 N/100m², de totale biomassa bedroeg hier 713 mgADW/100m². Ook het verloop van de taxonomische groepen veranderde langsheen het transect: Chaetognatha en Copepoda waren op het front voor de densiteiten de belangrijkste groepen. Ook het aantal soorten is het hoogst op de frontstations, hier wordt dominantie gevonden van een aantal soorten maar ondanks deze dominantie is de fauna ook nog vrij divers (er is ook nog een sterke spreiding van de individuen over de soorten). In de lente was er geen patroon voor de densiteiten en de biomassa' s over het transect. Wat het verloop van de taxonomische groepen betreft werd wel een trend gevonden: de vissen werden relatief minder belangrijker naar de noordelijke stations toe terwijl de copepoden er belangrijker worden. De dataset werd aan cluster-, twinspan en CCA- analyses onderworpen. Al deze analyses maken allereerst een sterk onderscheid tussen de zomer- en de lentestalen, hierbij werd de temperatuur als bepalende factor (laag in de lente, hoger in de zomer) aangeduid door CCA. In de zomerreeks werd verder een sterke variatie gevonden die overeen komt met het verloop l

All data in IMIS is subject to the VLIZ privacy policy Top | Author