IMIS | Flanders Marine Institute
 

Flanders Marine Institute

Platform for marine research

IMIS

Publications | Institutes | Persons | Datasets | Projects | Maps
[ report an error in this record ]basket (0): add | show Printer-friendly version

Vergelijkende studie van de broedbiologie van de visdief Sterna hirundo in kolonies langs de Belgische kust en de Westerschelde: analyse van de interactie tussen broedparameters en de factoren die het broedsucces bepalen
Manhout, J. (1999). Vergelijkende studie van de broedbiologie van de visdief Sterna hirundo in kolonies langs de Belgische kust en de Westerschelde: analyse van de interactie tussen broedparameters en de factoren die het broedsucces bepalen. BSc Thesis. Universiteit Gent. Mariene Biologie. Instituut voor Dierkunde. Vakgroep Morfologie, Systematiek en Ecologie: Gent. 151 pp.

Thesis info:

Available in  Author 
  • VLIZ: Archive VLIZ ARCHIVE A.THES3 [5834]
  • VLIZ: Non-open access 140751
Document type: Dissertation

Keyword
    Marine

Author  Top 
  • Manhout, J.

Abstract
    In deze scriptie is een onderzoek verricht naar de relatie tussen de broedparameters (legdatum, Iegselgrootte, eivolume,. . .) onderling en hun relatie met andere factoren (weersomstandigheden, voedselbeschikbaarheid, predatie,...) van de Visdief (Sterna hirundo) in de kolonies langs de Belgische Kust en de Westerschelde. Vanuit een conceptueel schema opgebouwd uit gegevens uit de literatuur zijn de relaties onderzocht tussen de verschillende broedparameters en de interne en externe factoren die hier op in werken. Hierbij werd vooral aandacht besteed aan die relaties die van belang zijn in het studiegebied. De belangrijkste conclusies uit dit schema zijn dat het broedsucces van de Visdief afhangt van drie belangrijke pijlers: voedselbeschikbaarheid, broedparameters en broedhabitat. De belangrijkste factoren die hier op inspelen zijn weersomstandigheden, predatie, voedselbeschikbaarheid en vervuiling. De gemiddelde legdatum voor de kolonies varieert van 22 mei tot 28 mei. Deze gemiddelde legdatum vertoont een grote individuele variatie en lijkt niet geschikt om verschillen in broedsucces te bepalen. De gemiddelde legselgrootte (2,08-2,76) van alle kolonies valt binnen de normale range van de Visdief Ook deze parameter is gekenmerkt door grote variatie en lijkt tevens niet geschikt als verklaring voor verschil in broedsucces. Het eivolume daarentegen lijkt wel een goede verklaring te kunnen bieden. Er zijn significante relaties vastgesteld tussen eivolume en legvolgorde. Vooral het eivolume van het derde ei blijkt significant lager te zijn. Tevens worden de volumes kleiner naarmate ze later op het broedseizoen gelegd zijn. De gemiddelde incubatietijd (21,75 tot 23,49 dagen) varieert in de kolonies zeer sterk in de kolonies en lijkt te verwaarlozen om het broedsucces te verklaren. Het uitkomstsucces verschilt sterktussen de kolonies dit bleek echter geen effect te hebben op het uiteindelijke broedsucces van de kolonies. Het uitvliegsucces in de kolonies is gelijkaardig (1,18 tot 1,34 jongen per nest). In een jaar was er een opvallende groot percentage van de kuikens die stierf door verzwakking. Het uitvliegsucces van het derde kuiken bij 3-legsels is beduidend lager dan de eerste twee kuikens. Er is geen relatie gevonden tussen het eivolume en het uitvliegsucces. Uit de groeicurves blijkt dat de groeisnelheid van het derde kuiken in de meeste kolonies kleiner is dan deze van de eerste twee kuikens. Kuikens tussen de 22 en 26 dagen worden het meest gepredeerd door meeuwen. In één subkolonie was het uitvliegsucces slecht 0,04 wegens een enorme meeuwenpredatie. In 1999 werd voor het eerst belangrijke grondpredatie vastgesteld door een adulte kat. De voedselsamenstelling van de kuikens bestaat voornamelijk uit Clupelden (Raring/Sprot) die ongeveer 5 cm groot zijn. Het dieet van kuikens tussen 5 en 18 dagen oud verschilt van kuikens ouder dan 18 dagen. De relatie tussen aanvoerfrequentie en groeicurves kan niet aangetoond worden. De aanwezigheid van ferry's zorgen voor een verhoogde hoeveelheid biomassa die aangevoerd worden. Waarschijnlijk wordt door de ferry's een anders onbeschikbare voedselbron beschikbaar gemaakt. In de meeste kolonies was er geen negatief effect van weersomstandigheden opgemerkt behalve in Saeftinghe waar de kolonie overstroomd is en slecht 16 % van de eieren uitkwamen. De weersomstandigheden blijken in deze studie globaal geen effect te hebben op de aanvoerfrequentie van de ouders. Tenslotte kan men besluiten dat de niet geringe variatie in de broedcyclus de interpretatie van de resultaten bemoeilijkt.

All data in IMIS is subject to the VLIZ privacy policy Top | Author