IMIS | Flanders Marine Institute
 

Flanders Marine Institute

Platform for marine research

IMIS

Publications | Institutes | Persons | Datasets | Projects | Maps
[ report an error in this record ]basket (0): add | show Printer-friendly version

Tidale, diurnale en semilunaire migraties in epibenthische strandgemeenschappen
Willekens, J. (1998). Tidale, diurnale en semilunaire migraties in epibenthische strandgemeenschappen. BSc Thesis. University of Gent, Zoology Institute, Marine Biology Section: Gent. 66 pp.

Thesis info:

Available in  Author 
  • VLIZ: Archive A.THES15 [5845]
  • VLIZ: Non-open access 226666
Document type: Dissertation

Keyword
    Marine

Author  Top 
  • Willekens, J.

Abstract
    Om een idee te krijgen over de migratiepatronen in het algemeen en de structuur van het Belgisch kustecosysteem werd de lezer hierover in hoofdstuk 2 (literatuurstudie) algemene informatie verschaft. Om de migratiepatronen van epibenthische gemeenschappen te bestuderen, werd de surfzone aan het strand van Lombardsijde over drie 24 uur-cycli bemonsterd met een 2- meter boomkor en dit gedurende de periode van een semilunaire cyclus (springtij, doodtij en een intermediaire periode). Tevens werden omgevingsvariabelen gemeten. Onrechtstreeks kan dit onderzoek belangrijke informatie bieden voor de bescherming van het epibenthos dat onder de toenemende vervuiling van het kustwater het steeds harder te verduren krijgt. De migratiepatronen werden opgespoord a.h.v. densiteitsverlopen van de belangrijkste soorten. De 2 belangrijkste waren Crangon crangon en Pleuronectes platessa. De epibenthische gemeenschap vertoonde een tidaal ritme waarbij grotere densiteiten gevangen werden in de uren van laagtij. Dit tidale ritme was een steeds terugkerend fenomeen en werd aangetoond bij de populatie van Crangon crangon, de juvenielen van Crangon crangon, Carcinus maenas en Pleuronectes platessa. Diurnale patronen werden gesuggereerd bij de Clupeidae doordat de vangsten overwegend overdag waren en geen patroon kon worden vastgesteld bij Pomatoschistus lozanoi, Cyanea lamarckii en Praunus flexuosus. Om te weten in welk levensstadium de organismen zich bevonden werden lengte-frequentiedistributies opgesteld. Dit gaf o.a. aan dat een representatief deel van de populatie Crangon crangon werd gevangen en dat twee cohorten van Pleuronectes platessaaanweZlg waren. Daar juveniele schol de meest algemene vissoort is in de surfzone werd de voedingsecologie onderzocht De voedingsecologie werd bestudeerd aan de hand van maaganalyses. 123 vissen, alle uit de stalen van springtij, werden geanalyseerd en op basis van die gegevens werd een prooispectrum opgesteld. De frequentie van voorkomen gaf aan in hoeveel percent van de vissen een bepaald prooitype werd opgenomen en numerieke en gravimetrische analyses gaven het relatief belang ervan weer. Hieruit bleek dat voornamelijk vertegenwoordigers van de Spionidae (Scolelepis squamata en Pygospio elegans) de belangrijkste groep van prooien vormden. De vullingsindex toonde de temporele variatie van de voedingsactiviteit aan. Dit gegeven leidde tot de conclusie dat juveniele schol een diurnaal voedingsritme vertoont met maximale voedingsactiviteit in de uren van schemering. Het numerieke en gravimetrische patroon in voedselopname lieten echter blijken dat de voedselopname ook gekoppeld is aan het specifieke zonatiepatroon van macrobenthos op het strand. Het subtidaal voorkomen van Magelona papillicornis zorgde voor een stijging van het numeriek gemiddelde daar de palpen van deze polychaet een gemakkelijke prooi vormden bij lage waterstanden. De aanwezigheid van Bathyporeia pilosa, Scolelepis squamata en Arenicola marina op de hogere delen van het strand veroorzaakten een gravimetrische stijging tijdens de uren van hoger water. Het is dus duidelijk dat juveniele schol gebruik maakt van de voedselrijkdom van het intertidale gebied en dit wordt in de diversiteit van het dieet weerspiegelt. Het tidaal migratiepatroon geeft aan dat juveniele schol het intertidale gebied gebruikt maar uit de voedingsecologie blijkt dat dit niet louter voor te eten is. De vraag die dan gesteld kan worden is of het intertidale gebied als refugium zou kunnen fungeren. Dit gekoppeld aan het rijke voedselaanbod in de intertidale zone en de niet selectieve voedselkeuze van juveniele schol, zou van dit gebied een kinderkamer kunnen veronderstellen waarbij intra- en interspecifieke competitie verminderd wordt en de juvenielen de kans wordt gegeven zich te ontwikkelen tot gezonde adulten.

All data in IMIS is subject to the VLIZ privacy policy Top | Author