IMIS | Flanders Marine Institute
 

Flanders Marine Institute

Platform for marine research

IMIS

Publications | Institutes | Persons | Datasets | Projects | Maps
[ report an error in this record ]basket (0): add | show Printer-friendly version

Late Pleistocene and Holocene in the neighbourhood of Brugge
Vandenberghe, J.; Vandenberghe, N.; Gullentops, F. (1974). Late Pleistocene and Holocene in the neighbourhood of Brugge. Meded. Kon. Acad. Wet. Lett. Kunst. Klasse der Wet. XXXVI(3): 5-71
In: Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Klasse der Wetenschappen. Paleis der Academiën: Brussel. ISSN 0369-285x, more
Peer reviewed article  

Available in  Authors 

Keywords

Authors  Top 
  • Vandenberghe, J.
  • Vandenberghe, N., more
  • Gullentops, F.

Abstract
    Een drietalontsluitingen in de omgeving van Brugge (Belgische kustvlakte) leverden belangrijk materiaal voor de kennis van de laat-kwartaire stratigrafie en de paleogeografie van het gebied. De ontsluitingen zelf zijn gelegen in de Zwin-Waardamme-depressie en aan de rand van de Vlaamse vallei. De bovenste sedimenten bestaan steeds uit een eolische dekmantel, met typische schuine gelaagdheden (Beerse member). In lage gebieden zijn deze duinzanden bedekt door het Holland-veen dat hier gevormd werd vanaf het begin van het Boreaal. In al de secties werd het duindek aan de onderzijde begrensd door een veenhorizont daterende uit de Belling en het einde van het pleniglaciaal. In de profielen te Brugge werd bovendien de diepe insnijding teruggevonden van de Waardamme-beek uit het Allered. De duinmantel zelf werd dus gevormd tijdens het Jongste-Dryas en het Preboreaal. Het bovenste gedeelte van het Weichselien-pleniglaciaal (Brabantien) was gekenmerkt door een eerder droog, zeer koud klimaat wat door de belangrijke vorstverschijnselen en pollenanalyses aangetoond werd. Licht siltige dekzanden werden afgezet (Wildert-formatie). Middenin werd een keienvloertje (PB1) aangetroffen dat te korreleren valt met de Beuningengravel en juist daarboven werd in een venig siltlaagje een warmere oscillatie waargenomen (Katelijne-oscillatie). Een belangrijker veenlaag kwam voor dicht tegen de top van de onderliggende gelamineerde zanden en silten. De pollensamenstelling wees op een uitgesproken warm klimaat, overeenkomende met het Kesselt-interstadiaal.Tijdens het oudste gedeelte van het Weichselien-pleniglaciaal (Hes- bayen) werden fijn gelaagde zanden en venige silten van niveo-fluviatiele en niveo-eolische oorsprong afgezet. Er grepen geen grote vorstverschijnselen plaats en ook de pollenanalyses wezen op een niet al te koud eerder vochtig klimaat. Een zeer belangrijke lithologische eenheid is een kleilaag die zich onder de vorige sedimenten bevindt (Steenbrugge-member). Lithologie, strukturen, fauna (mollusken, diatomeeën) en flora wezen ontegensprekelijk op een brak getijde- of lagunair milieu. Door pollenanalyse werd deze schorreklei gedateerd in de periode 4b van het Eemien. Door vergelijk met andere Eem-afzettingen kon afgeleid worden dat N-Vlaanderen sinds het Eemien zeker tot het dalende Noordzeebekken behoort.Tenslotte komen onderaan nog pleistocene groene glauconietrijke zanden voor, afgezet in een estuarien of littoraal milieu. Aan de top is een bodem ontwikkeld en daaronder bevindt zich een groene verweringsklei die lokaal sterk opgeperst is. Naargelang de interpretatie van deze vervormingen moet de afzetting van deze glauconietzanden in het begin van het Eem ofwel in een vroeger interglaciaal gesitueerd worden. Van al de sedimenten werd een grondige granulometrische en mineralogische studie doorgevoerd, alle veenhorizonten werden palynologisch onderzocht en in een appendix wordt de diatomeeën-flora beschreven van de Steenbrugge-klei.

All data in IMIS is subject to the VLIZ privacy policy Top | Authors