IMIS | Flanders Marine Institute
 

Flanders Marine Institute

Platform for marine research

IMIS

Publications | Institutes | Persons | Datasets | Projects | Maps
[ report an error in this record ]basket (0): add | show Printer-friendly version

Studie in het kader van de habitat- en evaluatiestudie m.b.t. het terugstorten van baggerspecie in de Beneden-Zeeschelde
International Marine and Dredging Consultants; Ecolas (2001). Studie in het kader van de habitat- en evaluatiestudie m.b.t. het terugstorten van baggerspecie in de Beneden-Zeeschelde. Rev. 4.0. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Afdeling Maritieme Schelde: Antwerpen. VIII, 165 + appendices pp.

Available in Authors 
Document type: Project report

Keywords
    Dredge spoil; Dredging; Dumping; Ecology; Environmental effects; Man-induced effects; Belgium, Lower Sea Scheldt [Marine Regions]; Brackish water

Authors  Top 
  • International Marine and Dredging Consultants, more
  • Ecolas, more

Abstract
    De voorliggende studie is een "evaluatie-studie" van de milieu-effecten m.b.t. het terugstorten van baggerspecie in de Beneden-Zeeschelde (het aan het getij onderhevige riviergedeelte van het Scheldebekken tussen de Belgisch-Nederlandse grens en de Rupelmonding), rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van vogelrichtlijngebieden en habitatgebieden in de Beneden-Zeeschelde.

    De studie werd uitgevoerd in het kader van de uitvoeringsverplichtingen van het Vlaams Gewest ingevolge de Europese richtlijn inzake het behoud van de vogelstand (Vogelrichtlijn) en de Europese richtlijn inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Habitat-Richtlijn).

    Het voorleggen van deze evaluatie-studie behelst een tegemoetkoming aan de bepalingen inzake meldingsplicht en rapporteringsverplichtingen van de Belgische bevoegde autoriteiten (in casu het Vlaamse Gewest) aan de Europese Commissie, overeenkomstig art. 6 van de Habitat-Richtlijn.

    In deze studie wordt nagegaan welke de effecten zijn van de terugstortingen van baggerspecie in de Beneden-Zeeschelde op de habitat-gebieden en vogelrichtlijn-gebieden in de omgeving. Hoewel de grenzen van de stortplaatsen voor baggerspecie in de Beneden-Zeeschelde buiten deze habitat- en vogelrichtlijn-gebieden vallen, dient nagegaan welke de effecten zijn van de terugstortingen die gebeuren in de omgeving van deze gebieden. Het betreft hierbij de habitatgebieden en vogelrichtlijn-gebieden nabij de rivierzones Schaar Ouden Doel, Plaat van Boomke en Punt van Melsele, die gebruikt worden als stortplaatsen voor baggerspecie in de Beneden-Zeescheide.

    In hoofdstuk 2 van de studie wordt een situering gegeven van het project, met name het storten van baggerspecie in de Beneden-Zeeschelde (afkomstig van de onderhoudsbaggerwerken in de Benden-Zeeschelde). Hierin wordt eerst de historiek van de baggerwerken geschetst (cfr §5.2.1), vervolgens wordt het belang van de Westerschelde en de Beneden-Zeeschelde aangetoond voor de Vlaamse economie (cfr. §5.2.2).

    De baggerwerken in de maritieme toegangsweg tot de haven van Antwerpen worden beschreven in §2.3. Deze concentreren zich in hoofdzaak op de plaatsen waar de rivier van nature het ondiepst is en met name op de drempels. De belangrijkste stortplaatsen in de Beneden Zeeschelde zijn de Schaar van de Ouden Doel en de omgeving van de Plaat van Boomke (Plaat van Boomke en Punt van Melsele). In de eerste zone wordt vooral de zandige specie gestort en op de tweede plaats de slibrijke specie. De gebaggerde volumes bedragen circa 2 miljoen m3 per jaar. Het betreft hier m' in beun voor de zandige specie en equivalente m3 met een densiteit van 2tm3 voor slibspecie. Deze laatste kunnen omgerekend worden naar ton droge stof door het equivalente volume te vermenigvuldigen met een factor 1,625 ton/m3. In situ is de densiteit echter veeleer 1,2 à 1,4 ton/m3 zodat het volume in situ 4 tot 5 maal groter is dan het equivalente volume dat gebruikt wordt voor de contractuele betalingen. De maximale baggervolumes kunnen een factor 2.5 hoger zijn dan de gemiddelde waarde die hier wordt aangegeven. De gestorte hoeveelheden bedragen eveneens circa 2 miljoen m. Voor de zandspecie (gestort in de Schaar van Ouden doel) zijn dit de m3 die gemeten werden in het beun van het schip omdat het hier zandige specie betreft. Voor de Plaat van Boomke (en Punt van Melsele) betreft het slibrijke specie die gemeten wordt in equivalente m3 (omgerekend naar een standaard densiteit van 2 ton/m3). Op deze plaats wordt er gemiddeld 200.000 equivalente m3 gestort. Dit is 325.000 ton droge stof en ca 1 miljoen m3 in situ. Opnieuw moet de aandacht getrokken worden naar de zeer grote variaties die kunnen optreden tussen de verschillende jaren. Een factor 5 tot zelfs 10 verschil ligt er tussen de minimale en maximale jaarlijkse hoeveelheid op één van de beide hoofdstortplaatsen in de rivier.

    In paragraaf 2.3 wordt ingegaan op de basisprincipes die gehanteerd worden bij de planning van de baggerwerken en waarbij gestreefd wordt naar een minimale economische en ecologische impact. Vervolgens worden de bagger- en stortzones bondig beschreven, gevolgd door een beschrijving van de verschillende types baggertuigen die worden ingezet voor de realisatie van de onderhoudsbaggerwerken, meer bepaald de sleephopperzuiger die wordt ingezet voor het baggeren en storten van specie, de sweapbeam die wordt gebruikt voor het op diepte houden van de toegangsgeulen tot de sluizen en de milieusnijkopzuiger die op geregelde basis wordt ingezet voor het verwijderen van slib uit de toegangsgeul naar de Kallosluis. Vervolgens wordt een toetsing uitgevoerd van de gebruikte baggertuigen aan het BATNEEC-principe (Best Available Technology not Entailing Excessive Costs). Tenslotte is nagegaan welke alternatieven zouden kunnen overwogen worden voor het uitvoeren van de onderhoudsbaggerwerken. Het geheel van de besluiten betreffende de wijze van uitvoering van de bagger- en stortactiviteiten is samengevat in §5.2.4. De alternatieven zijn gebundeld in §5.2.6.

    In hoofdstuk 3 is uitvoerig ingegaan op de systeembeschrijving in de Beneden-Zeeschelde, met aandacht voor het fysisch systeem bestaande uit de waterbeweging (stroomsnelheden, debieten, zoutvariaties), en de sedimenthuishouding. Met betrekking tot de sedimentbeweging wordt erop gewezen dat het natuurlijk slibtransport in de Beneden-Zeeschelde op jaarbasis circa 10 tot 30 miljoen ton bedraagt. Dit is de hoeveelheid droge stof aan slib die tijdens vloed naar opwaarts getransporteerd wordt. Evenzo wordt tijdens eb een vergelijkbare hoeveelheid slib naar afwaarts getransporteerd. Vervolgens is de chemische karakterisatie van de waterbodem en de waterkolom tot reven, gevolgd door een bespreking van de ecologie in de Beneden-Zeeschelde (zie §5.2.3).

    Tenslotte worden de effecten van de stortactiviteiten besproken op het fysisch systeem, met aandacht voor de morfologie, de turbiditeit en het zout-zoet regime in de Beneden-Zeeschelde. Vervolgens wordt een ecotoxicologische toetsing uitgevoerd voor de waterbodem en de waterkolom, gevolgd door een beschrijving van de effecten inzake ecologie. Deze zijn gebundeld in §5.2.5.

All data in IMIS is subject to the VLIZ privacy policy Top | Authors