VLAAMS INSTITUUT VOOR DE ZEE
PLATFORM VOOR MARIEN ONDERZOEK


Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen


Gewone slingerzakpijp

Uit Kust Wiki
Versie door Daphnisd (Overleg | bijdragen) op 28 sep 2011 om 11:41

Ga naar: navigatie, zoeken
Category:Revision


Gewone slingerzakpijp
De gewone slingerzakpijp Botrylloides violaceus is een kolonievormende zakpijp die voordien enkel terug te vinden was in het noordwesten van de Stille Oceaan. Getransporteerd via scheepsrompen of vastgehecht op levende mariene organismen kwam de soort naar Europa vóór 1998, waar hij zich verder verspreidde door vasthechting op plezierjachten. Gevestigde kolonies van deze zakpijp werden langs onze kust voor de eerste keer waargenomen in 2004, in de haven van Zeebrugge. Opvallend is dat één kolonie altijd uniform gekleurd is - dit gaat van paars over geel tot oranje, terwijl verschillende kolonies verschillend gekleurd kunnen zijn.


Foto:Jean-Paul Vanderperren



Wetenschappelijke naam

Botrylloides violaceus Oka, 1927


Oorspronkelijke verspreiding

De gewone slingerzakpijp komt oorspronkelijk uit het noordwesten van de Stille Oceaan, nabij Japan (Saito et al. 1981)[1].


Eerste waarneming in België

De eerste waarneming in ons studiegebied vond plaats in 2000, toen werd deze zakpijp waargenomen in de jachthaven van Breskens, nabij de monding van de Westerschelde. Het ging meteen al om meer dan honderd kolonies (Faasse & De Blauwe 2002a)[2].

Op 12 juni 2004 echter werd de gewone slingerzakpijp teruggevonden op pontons in de Zeebrugse jachthaven (De Blauwe en Dumoulin 2009)[3].

De allereerste waarneming in België dateert echter van 15 september 2003, wanneer er exemplaren van deze zakpijp werden aangetroffen op de romp van een jacht dat voor een reinigingsbeurt op de kade stond. Aangezien het schip zowel langs de Nederlandse als de Belgische kust had gevaren, waardoor herkomst van het gevonden exemplaar onzeker was, werd dit niet als eerste officiële waarneming voor België aanvaard (De Blauwe & Dumoulin 2009)[3].


Verspreiding in België

Al een maand na de vondsten in de Zeebrugse jachthaven in 2004 werden op dezelfde locatie al vele kolonies in diverse kleuren gevonden. Tot heden werd deze soort in België enkel aangetroffen in Zeebrugge (De Blauwe & Dumoulin 2009)[3].

In ons studiegebied kan de gewone slingerzakpijp eveneens worden aangetroffen in de Nederlandse Westerschelde, van de monding tot voorbij Vlissingen (Gittenberger & Moons, corrected proof 2011)[4].


Verspreiding in onze buurlanden

De waarneming in Europa dateert van mei 1991 in Venetië, Italië. Er wordt geschat dat de soort er 1 tot 2 jaar eerder geïntroduceerd werd (pers. com. Riccardo Brunetti )[5].

In Nederland werd in 1999 een kleine rode zakpijpkolonie – in een mosselkwekerij in Zijpe (Noord-Holland) – gefotografeerd. Mogelijk ging het hier reeds om de gewone slingerzakpijp (Gittenberger et al 2007)[6]. In het daaropvolgende jaar in 2000 werd deze zakpijp waargenomen in de jachthaven van Breskens, nabij de monding van de Westerschelde (Faasse & De Blauwe 2002a)[2]. Ook in de jachthaven van Yerseke, in de Oosterschelde werden in 2002 al meer dan duizend kolonies gevonden (Faasse & De Blauwe 2002b)[7].

Vervolgens is de soort ook het Grevelingenmeer binnengedrongen (Gittenberger 2007)[6] en in 2009 werd B. violaceus voor het eerst in de Waddenzee aangetroffen (Gittenberger et al., 2010)[8].

Een onderzoek uit 2004 in het zuiden van Engeland bracht aan het licht dat de gewone slingerzakpijp ook hier al wijdverspreid was. Deze talrijke aanwezigheid wordt ook gemeld in Bretagne, Frankrijk (Arenas et al. 2006)[9].

Gezien men telkens een groot aantal kolonies aantreft, vermoedt men dat de eerste vestiging telkens al vroeger plaatsvond. Hierdoor is het niet meteen duidelijk waar en wanneer deze zakpijp voor het eerst in Europa geïntroduceerd werd. Ook verwarring met een inheemse zakpijp, Botrylloides leachii, zorgde voor een late herkenning van de gewone slingerzakpijp in Europa (Arenas et al. 2006, Faasse & De Blauwe 2002a, Gittenberger, 2007)[9][2][6].


Wijze van introductie

Introductie in Europa vond hoogstwaarschijnlijk plaats door vasthechting op scheepsrompen of via vasthechting op levende mariene organismen, zoals schelpdieren (Faasse & De Blauwe 2002a)[2].


Redenen waarom deze soort zo succesrijk is in onze contreien

De gewone slingerzakpijp heeft zijn succes te danken aan het feit dat de soort niet echt kieskeurig is in het vinden van een vasthechtingsplaats. Deze zakpijp kan zich vasthechten aan een varieteit van materialen, gaande van scheepsrompen tot drijvende voorwerpen, maar kan zich ook vasthechten op levende organismen, zoals mosdiertjes, schelpen en wieren (Faasse & De Blauwe 2002a)[2]. Nadat de zakpijp zich heeft vasthecht aan een organisme, kan het deze ook gemakkelijk overgroeien. Hierdoor kan de zakpijp de dominante soort worden op harde substraten (http://www.exoticsguide.org/species_pages/b_violaceus.html 16/07/2009)[10], en mogelijk de inheemse paarse geleikorst Botryllus schlosseri in zekere mate verdringen (Gittenberger & Moons, corrected proof 2011)[4].

Naast seksueel, kan deze exoot zich ook aseksueel, door knopvorming voortplanten (Saito et al. 1981)[1], wat ook een rol speelt in zijn succes.


Factoren die de verspreiding beïnvloeden

Vasthechting op scheeprompen kan zorgen voor een snelle verspreiding tussen havens. In onze streken spelen vooral plezierjachten daarin een belangrijke rol (Faasse & De Blauwe 2002a)[2]. De gewone slingerzakpijp is een soort van koude kust- en zeegebieden, wat de snelle verspreiding in het noorden verklaart (Saito et al. 1981)[1]. Daarnaast kan deze zakpijp zich aanpassen aan diverse omstandigheden. De soort wordt namelijk gevonden in temperaturen tussen -1 en 25 °C (Lindeyer and Gittenberger Corrected proof 2011)[11] en in zoutgehaltes tussen 19 en 34 PSU (Gittenberger et al 2010)[8] (zout tot brak met een zoute invloed). Ter vergelijking: het zeewater in de Noordzee heeft een gemiddeld zoutgehalte van ongeveer 35 PSU.


Effecten of potentiële effecten en maatregelen

Samen met vele andere organismen die zich vasthechten, maakt de gewone slingerzakpijp deel uit van de aangroeigemeenschap. Aangroei kan diverse substraten aantasten en zelfs economische schade toebrengen.

Het voorkomen van vasthechting op scheepsrompen bijvoorbeeld kost handenvol geld in de reiniging en behandeling met een aangroeiwerende verf (Schultz et al. 2010)[12]. Bovendien zijn vele van deze verven schadelijk voor het ecosysteem (http://www.coastalwiki.org/coastalwiki/Antifouling_paints)[13]. Geïntroduceerde soorten kunnen bij massale aanwezigheid de condities van het leefmilieu wijzigen of in competitie treden met andere (inheemse) soorten (Wallentinus & Nyberg 2007; Galil 2007)[14][15]. Dit is ook van toepassing op de gewone slingerzakpijp. Voor de Nederlandse kust is aangetoond dat de gewone slingerzakpijp – in water met een hoog zoutgehalte – de paarse geleikorst Botryllus schlosseri gedeeltelijk kan verdringen, door concurrentie voor plaats. In brak water houdt de paarse geleikorst stand, aangezien deze soort beter bestand is tegen lagere zoutgehaltes (Gittenberger & Moons, corrected proof 2011)[4].

Andere effecten zijn niet uit te sluiten, aangezien de gewone kolonies van de slingerzakpijp vaak werden aangetroffen in grote aantallen (Faasse & De Blauwe 2002a; Gittenberger et al., 2010)[2][8] en het bekend is dat dit dier de dominante soort kan worden op harde substraten (http://www.exoticsguide.org/species_pages/b_violaceus.html 16/07/2009)[10].


Specifieke kenmerken

De gewone slingerzakpijp behoort tot de familie van de zakpijpen (Ascidiacea). Deze soort vormt kolonies met een korstvormig uitzicht. Deze kolonies hebben een dikte van 2 tot 3 millimeter en kunnen soms diameters van meer dan 30 centimeter (http://www.exoticsguide.org/species_pages/b_violaceus.html geraadpleegd op 22 juni 2011)[10] bereiken (Saito et al. 1981)[1].

De kolonies kunnen in verschillende kleuren voorkomen, waaronder geel, oranje en paars. Een enkele kolonie van de gewone slingerzakpijp kan eveneens uit verschillende kleuren bestaan (Persoonlijke mededeling Arjan Gittenberger 2011)[16].

Elke kolonie bestaat uit verschillende individuen, ook wel zoïden genoemd. Elk individu is cilindervormig en bereikt een lengte van 2,5 tot 3 millimeter (Saito et al. 1981)[1]. Net als alle zakpijpen verzamelt ook de gewone slingerzakpijp haar voedsel door gebruik te maken van een inwendig “zeefapparaat”, dat plantaardig (fytoplankton) en dierlijk plankton (zoöplankton) samen met organisch materiaal uit het water filtert en opneemt (Rupert and Barnes 1994)[17]. Het dier zorgt voor een constante waterstroom over het zeefapparaat. Het water dat het lichaam binnenkomt langs een instroomopening (siphon), passeert het zeefapparaat (pharynx) dat de voedseldeeltjes tegenhoudt en wordt via de uitstroomopening naar buiten gestuwd (Millar 1970)[18].

Om de gewone slingerzakpijp te onderscheiden van andere soorten, heeft men een microscoop nodig. Typerend voor deze soort zijn de 10 tot 11 rijen kieuwspleten (stigmata) die aan elke zijde van de kieuwkorf te vinden zijn (Saito et al. 1981)[1]. Het beste kenmerk om deze van de andere zakpijpen te onderscheiden zijn echter de larven. De laven van de gewone slingerzakpijp zijn immers aanzienlijk groter dan deze van erg gelijkaardige zakpijpen Botrylloides diegensis en de tweekleurige slingerzakpijp Botrylloides leachi (Persoonlijke mededeling Arjan Gittenberger 2011)[16].

Voortplanting kan aseksueel door knopvorming of seksueel met de vorming van larven die 4 tot 10 uur vrij in de waterkolom zwemmen vooraleer zich te vestigen (Saito et al. 1981).


Weetjes

Wat hebben doedelzakken en zakpijpen gemeen?

Wanneer men deze diertjes eens goed bekijkt dan kan men de vorm van een individu vergelijken met een doedelzak. Zo kwam men tot de algemene naam ‘zakpijp’, een oud woord voor doedelzak (http://www.zeeinzicht.nl/vleet/index.php?use_template=ecomare.html&item=roggen&pageid=zakpijpen.htm 17/07/2009)[19].

Oeps, foutje

Aan de oostkust van Noord-Amerika werd de verspreiding van deze soort een handje geholpen door… een bioloog. Hij liet verschillende exemplaren uit het laboratorium vrij in de natuur in het noordoosten van de Verenigde Staten. De gewone slingerzakpijp zag zijn kans en breidde snel zijn areaal uit, waarbij het er een dominante soort werd op harde substraten (Carlton 1989)[20].


Geraadpleegde bronnen

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 Saito, Y.; Mukai, H.; Watanabe, H. (1981). Studies on Japanese compound styelid ascidians: 2. A new species of the genus Botrylloides and redescription of B. violaceus Oka. Publ. Seto Mar. Biol. Lab. 26(4-6): 357-368. details
  2. 2,0 2,1 2,2 2,3 2,4 2,5 2,6 Faasse, M.; De Blauwe, H. (2002). De exotische samengestelde zakpijp Botrylloides violaceus Oka, 1927 in Nederland (Ascidiacea: Pleurogona: Styelidae). Het Zeepaard 62(5): 136-141. details
  3. 3,0 3,1 3,2 De Blauwe, H.; Dumoulin, E. (2009). De zeefauna en -flora uit de jachthaven van Zeebrugge, in het bijzonder de fouling-organismen van drijvende pontons. De Strandvlo 29(2): 41-63. details
  4. 4,0 4,1 4,2 Gittenberger, A.; Moons, J.J.S. (2011). Settlement and possible competition for space between the invasive violet tunicate Botrylloides violaceus and the native star tunicate Botryllus schlosseri in The Netherlands Aquat. Invasions 6(4(In Press). details
  5. Persoonlijke mededeling door dr. Riccardo Brunetti op 27 juni 2011
  6. 6,0 6,1 6,2 Gittenberger, A. (2007). Recent population expansions of non-native ascidians in The Netherlands J. Exp. Mar. Biol. Ecol. 342(1): 122-126. details
  7. Faasse, M.; De Blauwe, H. (2002). Naschrift bij het artikel over de zakpijp Botrylloides violaceus. Het Zeepaard 62(5): 150. details
  8. 8,0 8,1 8,2 Gittenberger, A.; Rensing, M.; Stegenga, H.; Hoeksema, B. (2010). Native and non-native species of hard substrata in the Dutch Wadden Sea Ned. Faunist. Meded. 33: 21-76. details
  9. 9,0 9,1 Arenas, F.; Bishop, J.D.D.; Carlton, J.T.; Dyrynda, P.E.J.; Farnham, W.F.; Gonzalez, D.J.; Jacobs, M.W.; Lambert, C.; Lambert, G.; Nielsen, S.E.; Pederson, J.A.; Porter, J.S.; Ward, S.; Wood, C.A. (2006). Alien species and other notable records from a rapid assessment survey of marinas on the south coast of England. J. Mar. Biol. Ass. U.K. 86(6): 1329-1337. details
  10. 10,0 10,1 10,2 http://www.exoticsguide.org/species_pages/b_violaceus.html 22/06/2011
  11. Lindeyer, F.; Gittenberger, A. (2011). Ascidians in the succession of marine fouling communities Aquat. Invasions 6(4 (In Press)). details
  12. Schultz, M.P.; Bendick, J.A.; Holm, E.R.; Hertel, W.M. (2010). Economic impact of biofouling on a naval surface ship Biofouling 27(1): 87-98. details
  13. http://www.coastalwiki.org/coastalwiki/Antifouling_paints bezocht op 22 juni 2011
  14. Wallentinus, I.; Nyberg, C.D. (2007). Introduced marine organisms as habitat modifiers. Mar. Pollut. Bull. Spec. Issue 55(7-9): 323-332. details
  15. Galil, B.S. (2007). Loss or gain? Invasive aliens and biodiversity in the Mediterranean Sea. Mar. Pollut. Bull. Spec. Issue 55(7-9): 314-322. details
  16. 16,0 16,1 Persoonlijke mededeling Arjan Gittenberger 2011
  17. Ruppert, E.E.; Barnes, R.D. (1994). Invertebrate zoology. 6th edition. Saunders College Publishing: Orlando. ISBN 0-03-026668-8. 1056 pp. details
  18. Millar, R.H. (1970). British ascidians, Tunicata: Ascidiacea: keys and notes for the identification of the species. Synopses of the British fauna (new series), 1. Academic Press: London, UK. ISBN 12-496650-0. 92 pp. details
  19. http://www.zeeinzicht.nl/vleet/index.php?use_template=ecomare.html&item=roggen&pageid=zakpijpen.htm 17/07/2009
  20. Carlton, J. (1989). Man’s role in changing the face of the ocean: biological invasions and implications for conservation of near-shore environments. Conservation Biology 3(3): 265-273. details