VLAAMS INSTITUUT VOOR DE ZEE
PLATFORM VOOR MARIEN ONDERZOEK


Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen


Kaspische slijkgarnaal

Uit Kust Wiki
Versie door Daphnisd (Overleg | bijdragen) op 23 sep 2011 om 15:41

Ga naar: navigatie, zoeken
Category:Revision


Kaspische slijkgarnaal
De oorsprong van de Kaspische slijkgarnaal Chelicorophium curvispinum ligt in de rivieren die in de Kaspische en de Zwarte Zee uitmonden. Hij komt voor in zoete tot licht brakke waterlopen en leeft in kolonies van kokertjes waarmee hij zich op stenen en pontons vasthecht. Vermoedelijk bereikte de soort West-en Noord–Europa via binnenvaartkanalen. De verspreiding werd waarschijnlijk in de hand gewerkt doordat deze soort zich aan scheepsrompen kan vasthechten. De Kaspische slijkgarnaal werd in 1981 voor het eerst in België gevonden in de Maas bij Huy. Hij heeft een zeer hoge tolerantie voor vervuiling en zijn explosieve groei in grote Europese rivieren zoals de Rijn kan ertoe leiden dat kwetsbare soorten worden weggeconcurreerd.

Foto: Silvia Waajen (onderwaterwereld.org)



Wetenschappelijke naam

Chelicorophium curvispinum Sars 1895


Oorspronkelijke verspreiding

Oorspronkelijk kwam de Kaspische slijkgarnaal Chelicorphium curvispinum enkel voor in de rivieren die uitmonden in de Kapische en in de Zwarte Zee (bij de Vaate 2002) [1].


Eerste waarneming in België

De Kaspische slijkgarnaal is een slijkkokervormende soort die eind 1981 voor het eerst in België werd gerapporteerd in het Belgisch deel van Maas, nabij Huy onder de naam Corophium sp.(d’Udekem d’Acoz & Stroot, 1988 en Mathy, 1982) [2][3]. Op 13 september 1983 werd deze soort onder de naam Corophium curvispinum gerapporteerd in de Maas nabij Jambes (Namen)[4].

De correcte naam voor deze soort werd in 1997 gewijzigd naar Chelicorophium curvispinum (http://www.marinespecies.org/aphia.php?p=taxdetails&id=148582)[5]. Vanwaar deze slijkgarnaal in de Maas werd geïntroduceerd is onbekend. De meest nabijgelegen gekende populaties bevonden zich toen in het Duitse Dortmund-Eemskanaal [4].


Verspreiding in België

Tegen 1990 had de Kaspische slijkgarnaal reeds het hele Maasbekken veroverd. Tijdens de jaren 1990 migreerde deze exoot via het kanalennetwerk tot in de waterlopen van Limburg, Vlaams-Brabant en Antwerpen. Deze soort wordt vooral teruggevonden in de kanalen in het oosten van Vlaanderen (inclusief Antwerpen). In het westen van Vlaanderen komt deze tot op heden nog niet voor (Persoonlijke mededeling Pieter Boets)[6]. In België vind je deze slijkgarnaal vooral in zoete en licht brak water met zoutgehaltes tussen 28 en 470 mg Cl-/l (Boets et al., 2011)[7]. Dit komt overeen met zoutwaarden tussen 0.03 en 0.8 PSU. Ter vergelijking: het zeewater van de Noordzee heeft een zoutgehalte van ongeveer 35 PSU.


Verspreiding in onze buurlanden

De Kaspische slijkgarnaal verspreidde zich vanuit de Wolga, Dnjepr, Dnjester en Donau rivieren (die allen uitmonden in ofwel de Zwarte of Kaspische zee) via de kanalen in het binnenland tot in het grootste deel van Europa (bij de Vaate 2002)[1]. Een overzichtsfiguur met de gevolgde routes wordt weergegeven onder de titel weetjes.

De eerste waarneming buiten zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied dateert van 1912 in de Müggelsee in Berlijn waar het per vergissing als een nieuwe soort voor de wetenschap met de naam Chelicorophium devium werd beschreven (Jazdzewski, et al. 1996)[8]. De Kaspische slijkgarnaal werd vanuit de Oekraïense Dnjepr via het kanaalstelsel met transportboten in de Müggelsee geïntroduceerd (Bij de Vaate 2002)[1]. In 1926 werd de Kaspische slijkgarnaal gesignaleerd in de brakke wateren rond de Baltische Zee. In 1931 werd zijn aanwezigheid eveneens gerapporteerd in de Poolse Oder en Vistula die de Dnjepr met de Duitse waterwegen en de Baltische Zee verbinden. Vermoedelijk sloop de soort – als verstekeling in het ballastwater – vanuit Noord-Duitse havens Engeland binnen, waar hij zich vanaf 1935 heel snel wist te verspreiden doorheen het uitgebreide kanaalnetwerk van dit land (Jażdżewski 1980)[9]. Via de Donau zou hij reeds vóór 1929 het Hongaarse Balatonmeer bereikt hebben (Borza 2011)[10]. De Kaspische slijkgarnaal verspreidde zich verder doorheen het Duitse rivierenstelsel en er bereikte rond 1978 het Dortmund-Eemskanaal, dat met de Rijn in verbinding staat (Jażdżewski 1980)[9].

De waarnemingen in de Belgische Maas vonden echter plaats voor deze in de Rijn, zodat de introductie in België niet rechtstreeks via het Rijn-Maaskanaal kon hebben plaatsgevonden (Wouters 1985)[11]. Vanuit België trok de Kaspische slijkgarnaal sinds 1981 via de Maas stroomopwaarts richting Frankrijk, waar hij voor het eerst in 1986 gerapporteerd werd (d’Udekem d’Acoz & Stroot, 1988)[2]. In Frankrijk migreert deze exoot stroomopwaarts met een gemiddelde snelheid van 15 kilometer per jaar (Josens 2005)[12].

De Kaspische slijkgarnaal werd een eerste maal in Nederland waargenomen op 13 november 1987 (Van den Brink et al 1989)[13]. Op basis van de verspreiding van deze soort in 1989 leidde men af dat hij Nederland via de Duitse Rijn was binnengedrongen en niet via de Belgische Maas. De hoogste concentratie aan Kaspische slijkgarnalen vond men immers in het Rijngebied nabij de Nederlands-Duitse grens. Het Nederlands deel van de Maas werd pas vanaf 1991 gekoloniseerd. In dat jaar was de Nederlandse populatie al enorm toegenomen en werd er in de Waal rivier – waar de Rijn uitmondt – nabij Tiel een recordaantal van meer dan 750.000 Kaspische slijkgarnalen per vierkante meter aangetroffen (Van den brink et al 1993)[14]. In de volgende jaren koloniseerde de soort alle grote waterlopen van Nederland (Pinkster et al. 1992)[15].


Wijze van introductie

De introductie van Ponto-Kaspische soorten (dit zijn soorten afkomstig uit de regio rond de Kaspische en Zwarte Zee) in Europese wateren werd sterk geholpen door de bouw van kanalen tussen de waterlopen. Via dit kanaalstelsel kwam de Kaspische slijkgarnaal ook in onze waterlopen terecht. Er worden 3 verschillende manieren voorgesteld: op eigen kracht, door vasthechting aan scheepsrompen of door transport in het ballastwater (Bij de Vaate et al 2002)[1]. Het is niet bekend op welke van deze manieren de Kaspische slijkgarnaal de Belgische Maas bereikt heeft.


Redenen waarom deze soort zo succesrijk is in onze contreien

De Kaspische slijkgarnaal kwam in de waterlopen van de Maas en Schelde, in een habitat terecht waarin geen andere soorten slijkkokervormende vlokreeften leven (Pinkster et al 1992, Vercauteren et al 2006)[15][16]. De kokers - waarin deze slijkgarnaal leeft - beschermen hem tegen predatoren en bemoeilijken tegelijkertijd de vasthechting van andere organismen – zoals de schietmot Hydropsyche contubernalis en de niet-inheemse driehoeksmossel Dreissena polymorpha – op hetzelfde substraat (Van den Brink et al 1993.)[14].

Deze niet-inheemse slijkgarnaal kan zich echter enkel vestigen in eerder warm water waar relatief veel ionen (bijvoorbeeld zoutdeeltjes) in zijn opgelost. Een andere vereiste is de constante aanvoer van organisch materiaal en van slib. Deze condities zijn echter in nagenoeg alle grote waterlopen in België en Nederland aanwezig (Pinkster et al 1992)[15].

In voedselrijke (eutrofe) waterlopen zal een soort die zich opportunist voedt zoals de Kaspische slijkgarnaal veel nakomelingen produceren. Gecombineerd met zijn korte levenscyclus – een volwassen individu kan tot 3 generaties per jaar produceren die al in enkele weken volwassen kunnen worden – laat dit toe snel dominant voor te komen in nieuwe geschikte leefgebieden (Van den Brink et al 1993)[14].


Factoren die de verspreiding beïnvloeden

De hoogste aantallen Kaspische slijkgarnalen worden waargenomen in traagstromend water op een hard substraat, op één meter beneden het waterniveau. De ideale locatie voor een kolonie slijkgarnalen is immers een evenwichtsoefening tussen een plek met voldoende stroming - om genoeg voedsel uit de waterkolom te kunnen filteren - en niet té veel stroming zodat de slijkkokers niet wegspoelen. Hoger in de waterkolom bevestigde kokers zijn kwetsbaarder voor getijdenwerking en de golven van voorbijvarende schepen (Van den Brink 1993, Vercauteren 2006)[14][16].

Een lichte vorm van vervuiling en een licht verhoogd zoutgehalte, brengt deze soort een competitief voordeel, aangezien hij er een zekere mate van tolerantie voor vertoont (Faase en Vanmoorsel 2000)[17].

De Kaspische slijkgarnaal komt niet meer voor in water met een zoutgehalte hoger dan 6 PSU (Naylor, M. 2006)[18].


Effecten of potentiële effecten en maatregelen

De aanwezigheid van grote aantallen van de Kaspische slijkgarnaal – op stenige habitats vaak meer dan 100.000 exemplaren per vierkante meter – bracht drastische veranderingen in de macrofauna van de Rijn met zich mee (Pinkster et al 1992)[15]. Organismen die zich aan gelijkaardige substraten vasthechten en/of zich op gelijkaardige manier voeden, kregen het moeilijk. Zo ging de opmars van de Kaspische slijkgarnaal in Nederlandse wateren gepaard met een sterke achteruitgang van de niet-inheemse driehoeksmossel Dreissena polymorpha, het exotische tijgervlokreeftje Gammarus tigrinus en de schietmot Hydropsyche contubernalis (Van den Brink et al 1993)[14].

Vooral de driehoeksmossel heeft te lijden onder directe competitie met de Kaspische slijkgarnaal, die zich voornamelijk schuilhoudt in zelfgemaakte, uit slijk bestaande kokers (Van Riel et al 2006)[19]. In de Rijn verhindert een dikke laag van deze slijkkokers dat de driehoeksmossels zich kunnen vestigen op de onderliggende stenen. Driehoeksmossels die er toch in slagen om zich te vestigen, lopen het risico te “verstikken” onder de modder (Vercauteren 2006, Van Riel 2006)[16][19]. De modder heeft immers als effect dat de mossel afgezonderd wordt van stromend water, en dus zijn voedseltoevoer. (Van de Velde 1998)[20].

Toch worden er aan de Kaspische slijkgarnaal ook gunstige effecten voor de biodiversiteit toegeschreven. Zo zouden grote aantallen slijkgarnalen aanzienlijke hoeveelheden organisch materiaal uit de waterkolom kunnen filteren, waardoor het water helderder wordt. Hierdoor kan meer zonlicht de bodem bereiken, waardoor bodemplanten en bodemalgen beter kunnen groeien (Van de Velde 1998)[20].

De introductie van een nieuwe exoot in de Rijn in 1995, het reuzenvlokreeftje Dikerogammarus villosus, bleek de aantallen van de Kaspische slijkgarnaal enigszins onder controle te houden. Vandaag worden de stenige habitats van de Rijn gedomineerd door zowel de Kaspische slijkgarnaal als het reuzenvlokreeftje (Van Riel et al 2006)[19].

Samen met vele andere organismen die zich vasthechten, maakt de Kaspische slijkgarnaal deel uit van de zogenaamde aangroeigemeenschap. Aangroei kan diverse substraten aantasten en zelfs economische schade toebrengen. Het voorkomen van vasthechting op scheepsrompen kost bijvoorbeeld aan reiniging en behandeling met een aangroeiwerende verf, handenvol geld (Schultz et al 2010)[21]. Bovendien brengen vele van deze verven schade toe aan het ecosysteem. Sommige verven blijven ook schade veroorzaken hoewel ze uit circulatie genomen werden. Zo ook tributyltin (TBT), waarvan het gebruik reeds sinds 2003 verboden werd. (http://www.coastalwiki.org/coastalwiki/Antifouling_paints) [22].


Specifieke kenmerken

De Kaspische slijkgarnaal is een zogenaamde filtervoeder, hetgeen betekent dat hij zich voedt door organisch materiaal uit de waterkolom te filteren. Vrij specifiek voor de Kaspische slijkgarnaal is dat hij zich schuil houdt in zelfgemaakte kokers die uit slijk opgebouwd zijn (Van Riel et al. 2006, Bij de Vaate 2002)[1][19].

Kaspische slijkgarnalen zijn over het algemeen donkerder dan de inheemse soorten slijkgarnalen, hebben een gelige kleur en zijn bedekt met bruine strepen en stippen (Faasse en Vanmoorsel 2000, Van den Brink et al 1989)[23][24]. Ze worden maximaal 9 millimeter groot (Van den Brink et al 1989)[24].

De soort kan verder nog onderscheiden worden van andere gelijkaardige soorten aan de hand van een aantal anatomische eigenschappen, die echter alleen enkel met een binoculair waar te nemen zijn (Wauters 1985)[4].


Weetjes

Ze kwamen uit het oosten

Kaart: VLIZ (naar kaart in Bij de Vaate el al. 2002 [1])

De door de mens gegraven kanalen die de verschillende rivieren met elkaar verbinden zorgen ervoor dat dieren zich zowel actief als passief – bijvoorbeeld vastgehecht aan schepen - tussen deze rivierbekken kunnen verplaatsen. Zo kunnen Ponto-Kaspische soorten (soorten afkomstig uit de regio rond de Kaspische en Zwarte Zee) via drie routes Europa bereiken. Langs de noordelijke route kunnen ze via de Wolga rivier in Rusland tot in de Baltische Zee geraken. De centrale route verbindt de Dnjepr in Oekraïne via rivieren in Polen met de Duitse Rijn en de Baltische Zee. De zuidelijke weg ontstaat door de verbinding in Duitsland tussen de Donau – die in de Roemeense Zwarte Zee uitmondt – en de Rijn (Bij de Vaate 2002)[1].

De opening van het Main-Donaukanaal in 1992 bracht deze laatste verbinding tot stand en zorgde dan ook voor een nieuwe instroom van Ponto-Kaspische inwijkelingen naar achtereenvolgens de Duitse Rijn, de Nederlandse Beneden-Rijn en de Nederlandse en Belgische Maas (Bij de Vaate et al., 2002)[1]. Van hieruit konden sommige soorten zoals de Ponto-Kaspische aasgarnaal Hemimysis anomala de Belgische binnenwateren binnendringen (Vercauteren 2005)[25].


Geraadpleegde bronnen

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 1,6 1,7 Bij de Vaate, A.; Jazdzewski, K.; Ketelaars, H.A.M.; Gollasch, S.; van der Velde, G. (2002). Geographical patterns in range extension of Ponto-Caspian macroinvertebrate species in Europe Can. J. Fish. Aquat. Sci./J. Can. Sci. Halieut. Aquat. 59(7): 1159-1174. details
  2. 2,0 2,1 d'Udekem d'Acoz, C.; Stroot, Ph. (1988). Note sur l’expansion de Corophium curvispinum Sars, 1895 en Meuse (Crustacea, Amphipoda: Corophiidae) Ann. Soc. R. Zool. Bel. 118(2): 171-175. details
  3. Mathy, P. (1982). Etude, en interaction avec la pollution organique, de l'impact thermique de la centrale nucléaire de Tihange, par comparaison des biocénoses benthiques à l'aide de substrats artificiels. MSc Thesis. Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix: Namur. 189 pp. details
  4. 4,0 4,1 4,2 Wouters, K.A. (1985).Corophium curvispinum Sars, 1895 in the river Meuse, Belgium Crustaceana 48(2): 218-220. details
  5. Marinespecies.org Chelicorophium curvispinum (G.O. Sars, 1895). online beschikbaar, geraadpleegd op 23/06/2011.
  6. Persoonlijke mededeling Pieter Boets 2011
  7. Boets, P.; Lock, K.; Goethals, P.L.M. (2011). Shifts in the gammarid (Amphipoda) fauna of brackish polder waters in Flanders (Belgium) J. Crust. Biol. 31(2): 270-277. details
  8. Jazdzewski, K.; Konopacka, A. (1996). Remarks on the morphology, taxonomy and distribution of Corophium curvispinum G.O. Sars, 1895 and Corophium sowinskyi Martynov, 1924 (Crustacea, Amphipoda, Corophiidae) Boll. Mus. civ. St. nat. Verona 20: 487-501. details
  9. 9,0 9,1 Jazdzewski, K. (1980). Range extensions of some gammaridean species in European inland waters caused by human activity Crustaceana, Suppl. 6: 84-107. details
  10. Borza, P. (2011). Revision of invasion history, distributional patterns, and new records of Corophiidae (Crustacea: Amphipoda) in Hungary Acta Zool. Hung. 57(1): 75-84. details
  11. Wouters, K.A. (1985). Corophium curvispinum Sars, 1895 in the river Meuse, Belgium Crustaceana 48(2): 218-220. details
  12. Josens, G.; Bij de Vaate, A.; Usseglio-Polatera, P.; Cammaerts, R.; Chérot, F.; Grisez, F.; Verboonen, P.; Vanden Bossche, J.P. (2005). Native and exotic Amphipoda and other Peracarida in the River Meuse: new assemblages emerge from a fast changing fauna Hydrobiologia 542: 203-220. details
  13. Van Den Brink, F.W.B.; van der Velde, G.; bij de Vaate, A. (1989). A note on the immigration of Corophium curvispinum Sars, 1895 (Crustacea: Amphipoda) into the Netherlands via the River Rhine Bull. Zool. Mus. Univ. Amsterdam 11(26): 211-213. details
  14. 14,0 14,1 14,2 14,3 14,4 Van Den Brink, F.W.B.; van der Velde, G.; bij de Vaate, A. (1993). Ecological aspects, explosive range extension and impact of a mass invader, Corophium curvispinum Sars, 1895 (Crustacea: Amphipoda), in the Lower Rhine (The Netherlands) Oecologia 93(3): 224-232. details
  15. 15,0 15,1 15,2 15,3 Pinkster, S.; Scheepmaker, M.P.C.; Platvoet, D.; Broodbakker, N. (1992). Drastic changes in the amphipod fauna (Crustacea) of Dutch inland waters during the last 25 years Bijdr. Dierkd. 61(4): 193-204. details
  16. 16,0 16,1 16,2 Vercauteren, Th.; Sablon, R.; Wouters, K. (2006). Exotische ongewervelden in vijvers en grachten van het Provinciaal Groendomein Prinsenpark in Retie: een eerste bilan, in: Nieuwborg, H. et al. (Ed.) (2006). Natuurstudie in de provincie Antwerpen: Antwerpse Koepel voor Natuurstudie (ANKONA) Jaarboek 2004-2005. pp. 27-39. details
  17. Faasse, M.; Van Moorsel, G. (2000). Nieuwe en minder bekende vlokreeftjes van sublitorale harde bodems in het Deltagebied (Crustacea: Amphipoda: Gammaridea) Ned. Faunist. Meded. 11: 19-44. details
  18. Naylor, M. (2006). Alien species in Swedish seas: Caspian mud shrimp (Corophium curvispinum). Informationscentralerna för Bottniska viken, Egentliga Östersjön och Västerhavet: Sweden. 3 pp. details
  19. 19,0 19,1 19,2 19,3 Van Riel, M.C.; van der Velde, G.; Rajagopal, S.; Marguillier, S.; Dehairs, F.; bij de Vaate, A. (2006). Trophic relationships in the Rhine food web during invasion and after establishment of the Ponto-Caspian invader Dikerogammarus villosus Hydrobiologia 565(1): 39-58. details
  20. 20,0 20,1 van der Velde, G.; Rajagopal, S.; Van Den Brink, F.W.B.; Kelleher, B.; Paffen, B.G.P.; Kempers, A.J.; Bij de Vaate, A. (1998). Ecological impact of an exotic amphipod invasion in the river Rhine, in: Nienhuis, P.H. et al. (Ed.) (1998). New concepts for sustainable management of river basins. pp. 159-169. details
  21. Schultz, M.P.; Bendick, J.A.; Holm, E.R.; Hertel, W.M. (2010). Economic impact of biofouling on a naval surface ship Biofouling 27(1): 87-98. details
  22. Coastalwiki.org Antifouling paints. online beschikbaar, geraadpleegd op 22/06/2011.
  23. Faasse, M.; Van Moorsel, G. (2000). Nieuwe en minder bekende vlokreeftjes van sublitorale harde bodems in het Deltagebied (Crustacea: Amphipoda: Gammaridea) Ned. Faunist. Meded. 11: 19-44. details
  24. 24,0 24,1 Van Den Brink, F.W.B.; van der Velde, G.; bij de Vaate, A. (1989). A note on the immigration of Corophium curvispinum Sars, 1895 (Crustacea: Amphipoda) into the Netherlands via the River Rhine Bull. Zool. Mus. Univ. Amsterdam 11(26): 211-213. details
  25. Vercauteren, Th.; De Smedt, S.; Warmoes, T.; Goddeeris, B.; Wouters, K. (2005). Drie nieuwe Ponto-Kaspische inwijkelingen dringen door tot in kanalen in de provincie Antwerpen: De zoetwaterpolychaet Hypania invalida (Grube, 1860) en, voor het eerst in België, de platworm Dendrocoelum romanodanubiale (Codreanu, 1949) en de Donaupissebed Jaera istri Veuille, 1979, in: Nieuwborg, H. (Ed.) (2005). Natuurstudie in de provincie Antwerpen: Antwerpse Koepel voor Natuurstudie (ANKONA) Jaarboek 2003. pp. 83-97. details