Knotszakpijp: verschil tussen versies

Uit Kust Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken
(<span style="color:#00787A">Verspreiding in onze buurlanden</span>)
(<span style="color:#00787A">Specifieke kenmerken</span>)
Regel 105: Regel 105:
  
 
===<span style="color:#00787A">Specifieke kenmerken</span>===
 
===<span style="color:#00787A">Specifieke kenmerken</span>===
De knotszakpijp komt meestal voor langs beschutte kusten, tot op een diepte van 40 meter. De soort behoort tot de aangroei- of foulinggemeenschap en is terug te vinden op touwen en harde structuren zoals kades, scheepsrompen, palen, boeien, mossel- en oesterbedden. Daarbij kunnen dichtheden tot 1500 exemplaren per vierkante meter bereikt worden. Deze dieren worden tot 16 centimeter groot en leven gemiddeld twee tot drie jaar <ref name=twentyone>NIMPIS (2011). Styela clava reproduction and habitat, National Introduced Marine Pest Information System. geraadpleegd op 29/06/2011 <http://www.marinepests.gov.au/nimpis>. </ref>. De huid ziet er nogal gerimpeld en leerachtig uit en heeft doorgaans een bruine kleur. De knotszakpijp heeft over het algemeen een langgerekte vorm, met een duidelijke versmalling naar de basis toe <ref name=twelve> </ref>.  
+
De knotszakpijp komt meestal voor langs beschutte kusten, tot op een diepte van 40 meter. De soort behoort tot de aangroei- of foulinggemeenschap en is terug te vinden op touwen en harde structuren zoals kades, scheepsrompen, palen, boeien, mossel- en oesterbedden. Daarbij kunnen dichtheden tot 1500 exemplaren per vierkante meter bereikt worden. Deze dieren worden tot 16 centimeter groot en leven gemiddeld twee tot drie jaar <ref name=twentyone>NIMPIS (2011). ''Styela clava'' reproduction and habitat, National Introduced Marine Pest Information System, viewed 29 June 2011 <http://www.marinepests.gov.au/nimpis>. </ref>. De huid ziet er nogal gerimpeld en leerachtig uit en heeft doorgaans een bruine kleur. De knotszakpijp heeft over het algemeen een langgerekte vorm, met een duidelijke versmalling naar de basis toe <ref name=twelve> </ref>.  
  
 
De soort is tweeslachtig of hermafrodiet, maar de mannelijke en vrouwelijke gonaden worden op verschillende tijdstippen rijp zodat deze dieren zichzelf niet kunnen bevruchten. De bevruchting gebeurt uitwendig - dus in het water - en de eitjes en larven zweven gedurende één tot drie dagen vrij in de waterkolom, wat door wetenschappers een planktonisch stadium genoemd wordt. Na deze planktonische fase hechten ze zich vast op een harde ondergrond, waar ze een metamorfose tot hun volwassen vorm ondergaan <ref name=twentyone> </ref>.
 
De soort is tweeslachtig of hermafrodiet, maar de mannelijke en vrouwelijke gonaden worden op verschillende tijdstippen rijp zodat deze dieren zichzelf niet kunnen bevruchten. De bevruchting gebeurt uitwendig - dus in het water - en de eitjes en larven zweven gedurende één tot drie dagen vrij in de waterkolom, wat door wetenschappers een planktonisch stadium genoemd wordt. Na deze planktonische fase hechten ze zich vast op een harde ondergrond, waar ze een metamorfose tot hun volwassen vorm ondergaan <ref name=twentyone> </ref>.

Versie van 7 nov 2011 om 15:23

Knotszakpijp
Oorspronkelijk leefde de knotszakpijp Styela clava enkel langs Aziatische kusten. Transport via vasthechting op oorlogsschepen bracht de soort naar Europa, waar ze voor het eerst opgemerkt werd in Engeland omstreeks 1953. In 1986 werd een eerste exemplaar gevonden aan onze kust, op een strandhoofd in Knokke-Heist. Nu is de soort gekend in de Spuikom van Oostende en in alle (jacht)havens van onze kust, behalve in Nieuwpoort. De knotszakpijp komt meestal voor langs beschutte kusten, tot op een diepte van 40 meter. De soort heeft een groot aanpassingsvermogen en kan sterke wijzigingen in temperatuur en zoutgehalte verdragen.




Wetenschappelijke naam

Styela clava Herdmann, 1881


Oorspronkelijke verspreiding

Oorspronkelijk leefde de knotszakpijp Styela clava enkel in de ondiepe delen van de Okhotsk zee (Siberië), de Japanse zee, langs de kusten van Japan en Korea en tussen het uiterste noorden van China en de havenstad Shangai [1][2].


Eerste waarneming in België

De eerste Belgische waarneming van de knotszakpijp - ook wel Japanse zakpijp genoemd - gebeurde op 19 augustus 1986. Het betrof een geïsoleerd levend exemplaar op een strandhoofd langs het Albertstrand in Knokke-Heist [3].


Verspreiding in België

Op de oostelijke strekdam van Zeebrugge werden in januari 1987 op twee betonnen blokken niet minder dan 217 exemplaren aangetroffen [4]. Nu is de soort gekend in de Spuikom van Oostende en in alle (jacht)havens van onze kust, behalve in Nieuwpoort [5][6].


Verspreiding in onze buurlanden

De eerste waarneming van de knotszakpijp in Europa gebeurde in Plymouth (Zuid-Engeland) tijdens de zomer van 1953. Hij werd toen ten onrechte als een nieuwe soort met de naam Styela mammiculata beschreven [7][8]. Men vermoedt dat de introductie al in 1952 gebeurde, maar onopgemerkt bleef tot het daaropvolgende jaar [2]. De uitbreiding over de Engelse zuid- en westkust verliep heel snel: van Plymouth via de wateren van Southampton tot in de haven van Milford in Wales (1959). Waarschijnlijk is de knotszakpijp het Kanaal rond 1968 overgestoken, gezien de soort in dat jaar bij Dieppe in Frankrijk werd waargenomen [8][9].

Ook in Nederland is het een frequent aanwezige soort geworden in vrijwel alle zoute wateren. De knotszakpijp werd er voor het eerst waargenomen in 1974 in Den Helder [10]. Al enkele maanden later kwamen er waarnemingen vanuit de jachthaven van Texel en uit de Oosterschelde [11].

Vandaag is deze zakpijp langs de gehele Europese Atlantische kust, van Portugal tot Noorwegen, te vinden [12]. In 2005 werd hij ook in een Frans bassin in het Middellandse Zeegebied waargenomen [13].


Wijze van introductie

De knotszakpijp kan op verschillende manieren in een nieuw gebied geïntroduceerd worden [14].

  • Hij kan als een volwassen zakpijp zich aan de wanden van schepen vasthechten. Hoogstwaarschijnlijk werd hij op deze wijze accidenteel door militaire slagschepen Engeland binnengebracht wanneer deze - na het eindigen van de oorlog in Korea in 1951 - terugkeerden naar het thuisfront [2].
  • Als jonge zakpijpen die zich hebben vastgehecht op oesterzaad of de schelpen van oesters die in nieuwe kweekgronden worden uitgezet. Op deze wijze kwam de zakpijp in vele havens in Bretagne (Frankrijk) en in Nederland terecht [8][14]. De oesters en het oesterzaad voor nieuwe oesterbedden kwamen zowel uit Japan als uit andere Europese oesterbedden [8].
  • De laven van de knotszakpijp kunnen eveneens korte afstanden overbruggen als verstekelingen in het ballastwater van schepen [14].

  • Locale verspreiding tussen jachthavens kan mogelijk verzorgd worden door de aanhechting van de zakpijpen aan jachten en zeilschepen [14].

Natuurlijke verspreiding is vrij beperkt. De larven kunnen meegevoerd worden met de getijden en stromingen, maar moeten zich binnen 27 uur kunnen vestigen [14]. Deze exoot werd dus de wereld rondgedragen door intercontinentale scheepvaart en oestertransfers.

Het is onbekend op welke wijze de knotszakpijp in 1987 in Zeebrugge terecht gekomen is.


Redenen waarom deze soort zo succesrijk is in onze contreien

In onze contreien kwam deze soort in een gebied terecht waar nog geen gelijkaardige zakpijp voorkwam. Bovendien bevinden zich hier geen natuurlijke vijanden [8].

Omwille van zijn lengte – gemiddeld 14 cm, zeer groot voor een zakpijp – wordt hij tijdens het voeden niet gehinderd door nabijgelegen dieren. Bovendien kan hij hierdoor de larven van andere soorten, zoals oesters, uit de waterkolom filteren [8].


Factoren die de verspreiding beïnvloeden

De soort kan zich enkel succesvol vestigen op een harde ondergrond, zoals schelpengemeenschappen, haveninfrastructuur, scheepsrompen, touwen en boeien [15]. Doordat de knotszakpijp zich ook op schelpen durft te vestigen, kon hij zich samen met oesterbroed naar nieuwe contreien verspreid worden. Er wordt vermoed dat hij hierdoor verscheidene malen vanuit Japan naar Nederland en Frankrijk geïntroduceerd werd [8].

Hij vestigt zich het liefst nabij de oppervlakte, al werd hij ook eens erg diep – op 40 meter – waargenomen. Hoewel hij kortstondig lage zoutgehaltes tot 10 PSU kan verdragen, kan hij dit niet voor lange tijd. Om zich op succesvol een plek te vestigen moet het zoutgehalte continu boven de 22 PSU en lager dan 35 PSU liggen [8][13][14][16]. Ter vergelijking: het zeewater van de Noordzee heeft een zoutgehalte van ongeveer 35 PSU.

Ook temperatuur kan de verspreiding van de knotszakpijp beperken. Hoewel volwassen exemplaren van deze soort brede schommelingen in temperatuur kunnen verdragen (tussen -2 en 23 °C [8][12]), kunnen de larven zich enkel vestigen wanneer het water enkele dagen lang temperaturen boven 16 °C bereikt. Dit zal zijn verspreiding naar meer Noordelijke regio’s, waar dit soort temperaturen ook in de zomer zeldzaam zijn, beperken. Om deze reden komt de soort niet voor langs de oostelijke kusten van Schotland [14].

Omwille van deze brede tolerantie voor verschillende zoutgehaltes en temperaturen kan deze exoot vele nieuwe gebieden bereiken, waar hij zich vervolgens kan vestigen [2]. Zijn aanpassingsvermogen komt in feite mooi overeen met de condities die heersen in Atlantisch Europese kusten [8].

Ook verkiest de knotszakpijp relatief beschutte gebieden. Dit is een van de oorzaken waarom hij vooral in havens waargenomen wordt [14].


Effecten of potentiële effecten en maatregelen

Eenmaal de knotszakpijp goed gevestigd is, worden vaak massapopulaties gevormd - tot 1500 exemplaren per vierkante meter - waardoor sterke competitie kan optreden met inheemse soorten zoals mosselen en oesters die hun voedsel eveneens uit het water filteren [15].

Deze knotszakpijp kan bovendien zorgen voor een ware aangroeiplaag op scheepsrompen en oesterbedden. Vooral de aangroei op mossel- en oesterbedden kan tot zware problemen leiden, gezien dit een extra productie-, oogst- en verwerkingskost voor de kwekers met zich meebrengt. Op Prince Edward Island in Canada bijvoorbeeld leidde dit tot miljoenen dollars economische schade per jaar [17]. Deze schade was voornamelijk gerelateerd aan het extra gewicht door de grote aangroei van knotszakpijpen. De mosseltouwen konden zo zwaar worden dat ze niet meer boven water te tillen waren. Ook kon het extra gewicht van de zakpijpen ervoor zorgen dat de mosselen van de touwen afvielen zodra deze boven water getild werden [18]. Europa blijft voorlopig gevrijwaard van zulke toestanden [19].

Behandelingen met gewijzigde zoutgehaltes en temperaturen of blootstelling aan lucht, bleken succesvolle - en tevens biologisch verantwoorde - bestrijdingsmiddelen te zijn in de strijd tegen deze exoot. Deze maatregelen leiden tot de dood van de zakpijp, zonder sterfte onder de mosselen of oesters te veroorzaken [2].


Specifieke kenmerken

De knotszakpijp komt meestal voor langs beschutte kusten, tot op een diepte van 40 meter. De soort behoort tot de aangroei- of foulinggemeenschap en is terug te vinden op touwen en harde structuren zoals kades, scheepsrompen, palen, boeien, mossel- en oesterbedden. Daarbij kunnen dichtheden tot 1500 exemplaren per vierkante meter bereikt worden. Deze dieren worden tot 16 centimeter groot en leven gemiddeld twee tot drie jaar [20]. De huid ziet er nogal gerimpeld en leerachtig uit en heeft doorgaans een bruine kleur. De knotszakpijp heeft over het algemeen een langgerekte vorm, met een duidelijke versmalling naar de basis toe [10].

De soort is tweeslachtig of hermafrodiet, maar de mannelijke en vrouwelijke gonaden worden op verschillende tijdstippen rijp zodat deze dieren zichzelf niet kunnen bevruchten. De bevruchting gebeurt uitwendig - dus in het water - en de eitjes en larven zweven gedurende één tot drie dagen vrij in de waterkolom, wat door wetenschappers een planktonisch stadium genoemd wordt. Na deze planktonische fase hechten ze zich vast op een harde ondergrond, waar ze een metamorfose tot hun volwassen vorm ondergaan [20].

Typisch voor deze groep van dieren is het verzamelen van voedsel via filtervoeding. Ze maken gebruik van een inwendig “zeefapparaat” om plantaardig (fytoplankton) en dierlijk plankton (zoöplankton) samen met organisch materiaal uit het water te filteren en op te nemen [20]. Om dit zeven efficiënt te laten verlopen, zorgt het dier voor een constante waterstroom: het water komt het lichaam binnen langs een instroomopening (siphon), passeert door het zeefapparaat (pharynx) dat voedseldeeltjes tegenhoudt en wordt ten slotte door de uitstroomopening naar buiten gestuwd. Op de foto’s zijn deze twee openingen duidelijk te zien.


Weetjes

Ober, voor mij graag een bordje zakpijpen

In onze restaurants zal je dit niet vaak horen zeggen, maar in de Aziatische keuken - bijvoorbeeld in Korea - wordt deze soort courant gegeten als zeevrucht [21].

Opgepast!

Hoewel hij dus gegeten kan worden dient men toch op te letten met deze zakpijp. Hij produceert immers gifstoffen die vrijkomen wanneer de zakpijpen beschadigd worden, bijvoorbeeld wanneer men ze van oesterbedden wil afschrapen. Deze gifstoffen kunnen bij mensen voor ademhalingsproblemen zorgen [12].


Geraadpleegde bronnen

  1. Millar, R.H. (1960). The identity of the ascidians Styela mammiculata Carlisle and S. clava Herdman. J. Mar. Biol. Ass. U.K. 39(3): 509-511. details
  2. 2,0 2,1 2,2 2,3 2,4 Eno, N.C.; Clark, R.A.; Sanderson, W.G. (Ed.). (1997). Non-native marine species in British waters: a review and directory. Joint Nature Conservation Committee: Peterborough, UK. ISBN 1-86107-442-5. 152 pp. details
  3. d'Udekem d'Acoz, C. (1986). Etude sur la faune de Knokke-Heist: III. Présence de Styela clava Herdman, 1882 en Belgique De Strandvlo 6(4): 83. details
  4. Dumoulin, E. (1987). Nieuwe waarnemingen van de Knotszakpijp Styela clava langs de Belgische Oostkust. De Strandvlo 7(2): 61-62. details
  5. Eneman, E. (1995). Knotszakpijp of Japanse zakpijp Styela clava (Herdman, 1882) in de Spuikom van Oostende. De Strandvlo 15(3): 113. details
  6. Persoonlijke mededeling door Hans de Blauwe 2009.
  7. Carlisle DB (1954) Styela mammiculata, a new species of ascidian from the Plymouth area. J mar boil Ass UK 33:329-334. details
  8. 8,0 8,1 8,2 8,3 8,4 8,5 8,6 8,7 8,8 8,9 Lützen, J. (Ed.) (1999). Styela clava Herdman (Urochordata, Ascidiacea), a successful immigrant to North West Europe: ecology, propagation and chronology of spread Helgol. Meeresunters. 52(3-4): 383-391. details
  9. Minchin, D. & Duggan, C.B., (1988). The distribution of the exotic ascidian, Styela clava Herdman, in Cork Harbour. Irish Naturalists’ Journal, 22: 388-393. details
  10. 10,0 10,1 Huwae, P. (1974). Styela clava Herdmann, 1882, nieuw voor Nederland. Het Zeepaard 34(2): 28-29. details
  11. Westerwil, H. (1975). Styela clava Herdmann, 1882 nu ook in Zeeland. Het Zeepaard 35(6): 99. details
  12. 12,0 12,1 12,2 Minchin, D. (2009). Styela clava Herdman, Asian sea-squirt (Styelidae, Ascidiacea), in: DAISIE (Delivering Alien Invasive Species Inventories for Europe) et al. (2009). Handbook of alien species in Europe. Invading Nature - Springer Series in Invasion Ecology, 3: pp. 298. details
  13. 13,0 13,1 Davis, M.H.; Davis, M.E. (2008). First record of Styela clava (Tunicata, Ascidiacea) in the Mediterranean region Aquat. Invasions 3(2): 125-132. details
  14. 14,0 14,1 14,2 14,3 14,4 14,5 14,6 14,7 Davis, M.H.; Lützen, J.; Davis, M.E. (2007). The spread of Styela clava Herdman, 1882 (Tunicata, Ascidiacea) in European waters Aquat. Invasions 2(4): 378-390. details
  15. 15,0 15,1 Global Invasive Species Database (2005). Styela clava. Available from http://www.issg.org/database/species/ecology.asp?si=951&fr=1&sts=sss. [Accessed 1st August 2009].
  16. Krone, R.; Wanke, C.; Schröder, A. (2007). A new record of Styela clava Herdman, 1882 (Urochordata, Ascidiacea) from the central German Bight Aquat. Invasions 2(4): 442-444. details
  17. Davis, M.H.; Davis, M.E. (2009). Styela clava (Tunicata, Ascidiacea) - a new threat to the Mediterranean shellfish industry? Aquat. Invasions 4(1): 283-289. details
  18. Persoonlijke mededeling door Arjan Gittenberger 2011.
  19. Gittenberger, A. (2009). Invasive tunicates on Zeeland and Prince Edward Island mussels, and management practices in The Netherlands Aquat. Invasions 4(1): 279-281. details
  20. 20,0 20,1 20,2 NIMPIS (2011). Styela clava reproduction and habitat, National Introduced Marine Pest Information System, viewed 29 June 2011 <http://www.marinepests.gov.au/nimpis>.
  21. Fuller, P. (2009). Styela clava. USGS Nonindigenous Aquatic Species Database, Gainesville, FL. Revision date: 7/22/2008. details