Strandgaper: verschil tussen versies

Uit Kust Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken
(<span style="color:#00787A">Wijze van introductie</span>)
(<span style="color:#00787A">Redenen waarom deze soort zo succesrijk is in onze contreien</span>: +ref +ref +ref +ref)
Regel 57: Regel 57:
 
===<span style="color:#00787A">Redenen waarom deze soort zo succesrijk is in onze contreien</span>===
 
===<span style="color:#00787A">Redenen waarom deze soort zo succesrijk is in onze contreien</span>===
  
TEKST
+
De strandgaper kan goed gedijen in zowel brakke als zoute wateren, waardoor hij op veel plaatsen kan overleven. Daarbij komt dat deze dieren zich makkelijk kunnen verspreiden in bodems van slib- en zandrijke wateren en dat ze in wisselende temperaturen en zoutgehaltes kunnen overleven. Strandgapers kunnen namelijk temperaturen van -2 °C tot 28 °C aan en verdragen een zoutgehalte tot 4-5 PSU waardoor ze brak water kunnen koloniseren <ref name = 1a> </ref><ref name = 8a> </ref><ref name = 11a> Hayward, P.J.; Ryland, J.S. (Ed.) (1995). Handbook of the marine fauna of North-West Europe. Oxford University/Oxford University Press: Oxford. ISBN 0-19-854054-X. XI, 800 pp. [http://www.vliz.be/imis/imis.php?module=ref&refid=10501 details]</ref>[1,8,11]. Ter vergelijking: het zeewater in onze Noordzee heeft een gemiddeld zoutgehalte van 35 PSU.<P>
 
+
Zijn ingegraven levenswijze - tot 40 centimeter diep - biedt bescherming tegen predatie en draagt zo rechtstreeks bij tot het succes van de soort. Daarenboven kan de strandgaper zich voeden met verschillende voedseltypes: zowel plantaardig en dierlijk plankton als opgelost organisch materiaal staan op het menu <ref name = 12a>Strasser, M. (1999). ''Mya arenaria'': an ancient invader of the North Sea coast Helgol. Meeresunters. 52(3-4): 309-324. [http://www.vliz.be/imis/imis.php?module=ref&refid=119128 details]</ref>[12].
 
<P>
 
<P>
 
<BR>
 
<BR>
 
<P>
 
<P>
 
  
 
===<span style="color:#00787A">Factoren die de verspreiding beïnvloeden</span>===
 
===<span style="color:#00787A">Factoren die de verspreiding beïnvloeden</span>===

Versie van 24 okt 2011 om 15:49

Category:Revision


Strandgaper
De strandgaper Mya arenaria zou uit Amerika in de 16e of 17e eeuw geïntroduceerd zijn. Er zijn echter aanwijzingen dat de Vikingen deze soort - intentioneel als voedsel of toevallig in het water in de onderste regio van het schip - al omstreeks 1245-1295 naar Europa brachten. Omwille van de mogelijkheid om in verschillende omgevingstypes te overleven, heeft de strandgaper een wereldwijde verspreiding. Het is een grote schelpensoort - wel tot 15 centimeter - die wanneer hij in grote aantallen aanwezig is, de omgeving sterk kan beïnvloeden. Omwille van de ingegraven levenswijze (soms tot wel 50 centimeter diep in de zeebodem!) is de aanwezigheid ervan vaak moeilijk vast te stellen.




Wetenschappelijke naam

Mya arenaria Linnaeus, 1758


Oorspronkelijke verspreiding

Het oorspronkelijke verspreidingsgebied van de strandgaper bevindt zich aan de Atlantische kust van Amerika, van Labrador tot de staat North Carolina. De huidige verspreiding langs de Pacifische kustlijn van Californië tot Canada en in het zuiden van Alaska is het gevolg van zowel bewuste en onbewuste introducties gedurende de 20e eeuw, in combinatie met natuurlijke verspreiding [1][2][1,2].


Eerste waarneming in België

De strandgaper Mya arenaria was waarschijnlijk de eerste door de mens geïntroduceerde soort in België en in de rest van Europa [3][3]. Lang werd aangenomen dat deze soort in de 16e of 17e eeuw in Europa moet zijn terecht gekomen [4][4]. Er zijn echter aanwijzingen dat de strandgaper al eerder - tussen 1245 en 1295 - in Europa aanwezig was. Deze soort zou dan vanuit Amerika – via Groenland [5](Wolf 2005) –meegereisd zijn met Vikingschepen. Dit zou dan een tastbaar bewijs vormen dat de Vikingen reeds vóór Columbus in 1492 Amerika ontdekten, of zoals de Engelse wetenschappers het verwoordden: “Clams before Columbus” [6][5].

Belgische wetenschappers vonden oude resten van schelpen in Belgische poldergebieden - bijvoorbeeld de Snaaskerke polder - waar mariene afzetting van schelpmateriaal plaatsvond tussen 1721 en 1810. In deze periode werd de polder namelijk gebruikt als overstromingsgebied [3][3], waardoor de schelpen achterbleven in de bodem. Hoe dan ook, onderzoek toont aan dat de strandgaper al in de 19e eeuw een algemene soort rond Oostende was [7][6].


Verspreiding in België

De strandgaper is nog steeds een veel voorkomende soort in onze havens en estuaria, maar wordt ook langs de kust regelmatig teruggevonden [3][3]. Door zijn diep ingegraven levenswijze wordt hij echter vaak over het hoofd gezien.


Verspreiding in onze buurlanden

De strandgaper werd in Europa al in alle zeeën waargenomen. Hij komt voor van Noord-Noorwegen tot Zuid-Frankrijk (Arcachon, Golf van Biskaje). Daarenboven heeft deze soort de Britse en Ierse eilanden weten te bereiken, waar hij sterk verspreid en algemeen is. Ook in de Zwarte en de Middellandse Zee komt de strandgaper voor [1][8][1,8].


Wijze van introductie

Volgens wetenschappers is de strandgaper naar Europa gebracht via scheepvaart [3][3]. De oorspronkelijke introductie door de Vikingen vond mogelijk plaats via bilgewater (het water in de onderste regio van het schip). Latere introducties konden hebben plaatsgevonden doordat volwassen exemplaren en/of larven meegevoerd werden in het ballastwater [5][9]. De verdere verspreiding kan vervolgens gebeuren door transport van larven via de heersende zeestromingen in een bepaald gebied [5][9].

In Amerika zijn ook gevallen bekend waarbij strandgapers meereisden tussen oesters Crassostrea virginica die gekweekt worden in aquacultuur [9][10].


Redenen waarom deze soort zo succesrijk is in onze contreien

De strandgaper kan goed gedijen in zowel brakke als zoute wateren, waardoor hij op veel plaatsen kan overleven. Daarbij komt dat deze dieren zich makkelijk kunnen verspreiden in bodems van slib- en zandrijke wateren en dat ze in wisselende temperaturen en zoutgehaltes kunnen overleven. Strandgapers kunnen namelijk temperaturen van -2 °C tot 28 °C aan en verdragen een zoutgehalte tot 4-5 PSU waardoor ze brak water kunnen koloniseren [1][8][10][1,8,11]. Ter vergelijking: het zeewater in onze Noordzee heeft een gemiddeld zoutgehalte van 35 PSU.

Zijn ingegraven levenswijze - tot 40 centimeter diep - biedt bescherming tegen predatie en draagt zo rechtstreeks bij tot het succes van de soort. Daarenboven kan de strandgaper zich voeden met verschillende voedseltypes: zowel plantaardig en dierlijk plankton als opgelost organisch materiaal staan op het menu [11][12].


Factoren die de verspreiding beïnvloeden

TEKST


Effecten of potentiële effecten en maatregelen

TEKST


Specifieke kenmerken

TEKST


Weetjes

TITEL

TEKST


Geraadpleegde bronnen

  1. 1,0 1,1 1,2 Strauch, F. (1972). Phylogenese, Adaptation und Migration einiger nordischer mariner Molluskengenera (Neptunea, Panomya, Cyrtodaria und Mya). Abhandlungen der Senckenbergischen Naturforschenden Gesellschaft, 531. Verlag Waldemar Kramer: Frankfurt. ISBN 3-7829-2531-9. 211, ill. tab., pl. pp. details
  2. Powers, S.P.; Bishop, M.A.; Grabowski, J.H.; Peterson, C.H. (2006). Distribution of the invasive bivalve Mya arenaria L. on intertidal flats of southcentral Alaska J. Sea Res. 55(3): 207-216. details
  3. 3,0 3,1 3,2 3,3 Kerckhof, F.; Haelters, J.; Gollasch, S. (2007). Alien species in the marine and brackish ecosystem: the situation in Belgian waters Aquat. Invasions 2(3): 243-257. details
  4. Hessland, I. (1946). On the Quaternary Mya period in Europe Ark. Zool. 37A(8): 1-52. details
  5. 5,0 5,1 5,2 Wolff, W.J. (2005). Non-indigenous marine and estuarine species in the Netherlands Zool. Meded. 79(1): 3-116. details
  6. Petersen, K.S.; Rasmussen, K.L.; Heinemeier, J.; Rud, N. (1992). Clams before Columbus? Nature (Lond.) 359: 679. details
  7. Forbes, E.; Hanley, S. (1853). A history of British Mollusca, and their shells: IV. Pulmonifera and Cephalopoda. John Van Voorst: London. 301, plates I-CXXXIII pp. details
  8. 8,0 8,1 Hayward, P.; Nelson-Smith, A.; Shields, C. (1999). Gids van kust en strand: flora en fauna. Tirion: Baarn. ISBN 90-5210-327-5. 352, ill. pp. details
  9. Stearns, R.E.C. (1881). Mya arenaria in San Francisco Bay American Naturalist 15(5): 362-366. details
  10. Hayward, P.J.; Ryland, J.S. (Ed.) (1995). Handbook of the marine fauna of North-West Europe. Oxford University/Oxford University Press: Oxford. ISBN 0-19-854054-X. XI, 800 pp. details
  11. Strasser, M. (1999). Mya arenaria: an ancient invader of the North Sea coast Helgol. Meeresunters. 52(3-4): 309-324. details