|
|
De meeste zeespinnen hebben - net als landspinnen - vier paar poten; sommige soorten bezitten meer potenparen. Deze merkwaardige dieren zijn er in groot en klein, van minder dan 2 cm tot een spanwijdte van wel 70 cm, waarbij de mannetjes altijd kleiner blijven dan de vrouwtjes. Opmerkelijk is dat - net als bij zeepaardjes - de mannelijke zeespinnen de bevruchte eitjes bij zich dragen tot deze uitkomen; ze hebben hiervoor vaak speciaal aangepaste poten. Zeespinnen hebben – afhankelijk van de soort – heel gevarieerde eetgewoonten. Sommigen zijn echte vleeseters, terwijl anderen hun energie hoofdzakelijk uit plantaardig of dood materiaal halen. Net als alle andere geleedpotigen hebben zeespinnen een hard uitwendig skelet en moeten ze vervellen om te kunnen groeien. Zeespinnen zijn stenomarien. Dit betekent dat ze enkel en alleen in zee voorkomen. Je vindt ze wereldwijd vanaf het intergetijdengebied tot op dieptes van bijna 7000 meter!
Naamsverklaring:
Pantos = alle (Grieks)
Podos = poten (Grieks)
|
 |
Soorten (16):
- michelinmannetje · Pycnogonum litorale (Strom, 1762)
- rode zeespin · Nymphon brevirostre Hodge, 1863
- slanke zeespin · Nymphon gracile Leach, 1814
- stekelzeespin · Achelia echinata Hodge, 1864
- Achelia laevis Hodge, 1864
- Ammothella longipes (Hodge, 1864)
- Anoplodactylus petiolatus (Kroyer, 1844)
- Anoplodactylus pygmaeus (Hodge, 1864)
- Anoplodactylus virescens (Hodge, 1864)
- Callipallene brevirostris (Johnston, 1837)
- Callipallene emaciata (Dohrn, 1881)
- Endeis spinosa (Montagu, 1808)
- Nymphon hirtum (Fabricius, 1780)
- Nymphon leptocheles Sars, 1888
- Nymphon subtile Loman, 1923
- Phoxichilidium femoratum (Rathke, 1799)
[Back]
|
|
|