Garnalen en andere strandwaterfauna: op dertig jaar tijd verarmd, 'verwarmd', vervreemd en verslijmd

De surfzonefauna van de Vlaamse stranden
VLIZ | Bram Conings

De biodiversiteit in het Belgische strandwater is door klimaatopwarming op enkele decennia tijd fundamenteel veranderd. Typische koudwatersoorten (grijze garnaal, grondels en haring/sprot) zijn nu veel minder talrijk, terwijl warmteminnende soorten (zoals de giftige kleine pieterman) en kamkwallen het net meer naar hun zin hebben. Ook de timing in het voorkomen is grondig gewijzigd, waarbij het strandwater in de zomermaanden deels lijkt gemeden te worden. Dit is één van de resultaten bij een vergelijking tussen unieke data van het VLIZ burgerwetenschapsproject SeaWatch-B (2014-2025) en onderzoeksgegevens uit 1996-97.

– JAN SEYS, WARD STELLAMANS & STEVEN PINT

Wie pootjebaadt aan onze kust kan maar beter op de hoogte zijn. Het dierlijk leven in de surfzone is immers fundamenteel gewijzigd ten opzichte van pakweg dertig jaar geleden. Dat blijkt uit de vergelijking tussen recente kruinetvangsten in het kader van SeaWatch-B, het VLIZ-burgerwetenschapsinitiatief, met historische onderzoeksgegevens, in 1996-97 jaarrond verzameld door de Universiteit Gent.

Koudwatersoorten gekelderd

Eerste conclusie is dat koudwatersoorten de voorbije dertig jaar sterk in aantal zijn afgenomen. Zo daalde de dichtheid aan grijze garnaal met niet minder dan 78% (van 147 naar 32 exemplaren per 100m2), een afname die zich nog steeds doorzet (bijna gehalveerd tussen 2014 en 2025: van 49 naar 27 per 100m2). Maar ook strandkrabben (-88%), grondels (-78%) en haring/sprot (-91%) delen in de klappen. Deze 'klassieke' vertegenwoordigers van de brandingszone lijken het ondiepe kustwater, minstens tijdelijk, meer en meer te mijden. Opvallend gegeven: strandkrabben zijn vijf keer talrijker op stranden met strandhoofden (3 versus <1 per 100m2).
 


Grijze garnalen
Eugeen De Hondt

Koudwatersoorten zoals de grijze garnaal daalden sterk in aantal in het ondiepe kustwater.

Warmwatersoorten nemen toe

Daartegenover staat dat warmwatersoorten en niet-inheemse diersoorten volop hun weg gevonden hebben naar het brandingswater van onze kust. Zo is de warmteminnende kleine pieterman – een giftig, pijnlijk stekend visje – nu een vaste waarde in de surfzone, met aantallen die 24x (!) hoger liggen dan drie decennia terug (0,014 naar 0,336 per 100m2). In dezelfde periode namen ook de gewone zwemkrab (x26: deels te wijten aan één extreme waarde) en jonge griet/tarbot (x13) sterk toe en vestigde zich een nieuwe soort: de Atlantische grijze zwemkrab (van afwezig naar present in 16% van alle surveys). Vooral de laatste vijf jaar is deze zwemkrab alomtegenwoordig (2015-18: 0,05 per 100m2; 2019-24: 0,41 per 100m2).
 


Kleine Pieterman
Luc Hostyn

Warmwatersoorten zoals de kleine pieterman namen dan weer sterk in aantal toe in het brandingswater van onze kust. 

Gelatineuze fauna rukt op

Tevens vond een 'verkwalling' plaats, leidend tot een manifest grotere aanwezigheid van twee kamkwalsoorten. Enerzijds was er een sterke toename van het zeedruifje (x27: van 0,22 naar 5,88 per 100m2). Anderzijds was er de komst en vestiging van een niet-inheemse soort, de Amerikaanse kamkwal. Beide soorten eten dierlijk plankton, zoals roeipootkreeftjes en vislarven. Mogelijk is hun toename niet los te zien van de afname van andere planktoneters zoals haring en sprot. De nabijheid van de Schelde en de haven van Zeebrugge (als refugia) lijkt dan weer een rol te spelen in de grotere aanwezigheid van de Amerikaanse kamkwal ter hoogte van Zeebrugge-Blankenberge.
 


Zeedruifje
VLIZ | Bram Conings

Het zeeduifje is een van de twee kamkwalsoorten wiens aanwezigheid sterk toenam de voorbije 30 jaar.

Niet alle wijzigingen kunnen zomaar door temperatuursverhoging worden verklaard. Zo is er in het strandwater een onverwachte afname van de warmteminnende tong (-71%). Daar waar historisch zeer kleine tong (<5 cm) domineert in de surfzone, is dit nu het geval voor halfwas exemplaren (15-25 cm). Dat kan wijzen op een gewijzigde functie van de surfzone, verschuivend van opgroeigebied voor jonge exemplaren naar voedselgebied.


Verandering in de gemiddelde dichtheid van surfzonefauna t.o.v. 1996-1997
Stellamans (2026)

De verandering in de gemiddelde dichtheid van de voornaamste surfzonefauna t.o.v. 1996-1997.

Fenologie gewijzigd, of hoe dieren op andere momenten in het jaar verschijnen

Dat net de brandingszone sterke wijzigingen toont hoeft niet te verwonderen. SeaWatch-B-data tonen dat dit gebied, van de waterlijn tot heupdiep, gemiddeld 0,4°C warmer is dan het oppervlaktewater verder uit de kust (cfr. LifeWatch-data). In het ondiepste deel van de zee tonen effecten van de opwarming zich dus het eerst. Sommige soorten zijn hierdoor zeldzamer of net talrijker geworden (zie boven), andere houden vol maar zoeken meer geschikte omstandigheden op door op andere momenten in het jaar – in het voorjaar of na de zomer – te pieken. Nog weer andere soorten doen beide.

Een goed voorbeeld zijn grondels, kleine niet-commerciële visjes die sterk in aantal zijn afgenomen in de voorbije dertig jaar. Wat blijkt? De visjes zijn niet alleen beduidend zeldzamer geworden, maar pieken ook drie maand later, in oktober in plaats van juli, of dus na het warmste seizoen. En zo zijn er nog voorbeelden. Zeebaars kende vroeger één juli-maximum. Nu is er sprake van een piek in februari en een in september. Zeedruifje haalt nu zijn grootste aantallen al in april, of dus anderhalve maand vroeger dan enkele decennia geleden. Grijze garnaal kent nog nauwelijks een zomerpiek, wel opvallend hoge aantallen vroeg in het jaar (april). Tarbot/griet toont in april eveneens een extra piek, bovenop een hoog aantal in de late zomer. En kleine pieterman toont zich in het strandwater al vanaf april, dus ook de pootjebaders in de paasvakantie zijn eraan voor de moeite ...

Toch is opwarming van het strandwater niet altijd een plausibele verklaring voor een gewijzigde fenologie. Soms lijkt ze er zelf mee in tegenspraak te zijn. Zo piekt pladijs, een koudwatersoort, nu midden juli in plaats van half april dertig jaar terug. En tong, een warmwatersoort, piekt nu begin augustus en niet langer in juni. Al kan dit te maken hebben met de eerder genoemde gewijzigde functie van het strandwater voor deze soort.
 

Wat leert SeaWatch-B ons nog?

SeaWatch-B ging van start in juni 2014. Sindsdien voerden burgers (daartoe opgeleid en van materiaal voorzien door het VLIZ) in totaal 422 surveys uit op 19 vaste strandtrajecten gespreid over de volledige Belgische kust. Daarbij meten ze op een gestandaardiseerde – en dus wetenschappelijk verantwoorde en bruikbare – wijze telkens 10 vaste variabelen, aangevuld met 4 vrijblijvende metingen. Deze 14 parameters zijn zo gekozen dat ze relatief eenvoudig uitvoerbaar zijn op een dikke twee uur, en een inzicht geven in belangrijke evoluties als klimaatverandering, biodiversiteit en vervuiling. 

Naast de hoger beschreven kruissessies – waarbij vrijwilligers registreren welke vissen, garnalen, krabben en andere soorten in het ondiepe strandwater voorkomen – verzamelt SeaWatch-B ook informatie over tal van andere aspecten van het strandecosysteem. Zo volgen de deelnemers onder meer de veranderingen in het strandlandschap aan de hand van foto's, tellen ze mensen, honden en paarden op het strand, meten ze de temperatuur van het strandwater en registreren ze afval in de vloedlijn. Daarnaast registreren ze ook de ontwikkeling van duinvegetatie op het hoge strand, noteren ze eventuele schuimvorming en de aanwezigheid van kleine heremietkreeftjes in de branding, tellen ze zeepieren, schelpkokerwormen, schelpen, aangespoelde kwallen op het strand en schaalhorens op strandhoofden. Ook toevallige archeologische vondsten worden zorgvuldig geregistreerd. Experten van het VLIZ staan mee in voor de kwaliteitscontrole en verifiëren onder meer de soortidentificaties aan de hand van foto's. Dankzij deze systematische aanpak levert SeaWatch-B unieke gegevens op die een belangrijke leemte opvullen in de langetermijnmonitoring van onze stranden en het ondiepe kustwater. Hieronder lichten we enkele van de meest opvallende bevindingen toe.

• Uitzicht strand en strandbezoek: de talrijke foto’s van de respectievelijke stranden tonen hoe zeer die in de loop van de tijd (kunnen) wijzigen. En uit een extrapolatie van de tellingen leren we dat er gemiddeld 4767 mensen, 367 honden en 72 paarden op onze 65 km stranden vertoeven.

Strandwatertemperatuur: loopt heel synchroon met de temperatuur van het oppervlaktewater verder in zee, maar is gemiddeld 0,4°C hoger. Een effect dat vooral zichtbaar is in het voorjaar (+0,79°C) en de zomer (+0,61°C). De elf jaar lange meetreeks van SeaWatch-B laat nog geen statistisch significante stijgende temperatuurtrend zien. Volgens een poweranalyse is dat niet verrassend: om de relatief geleidelijke opwarming met voldoende zekerheid te kunnen aantonen, is een meetreeks van 16 tot 25 jaar nodig.

• Afval in de vloedlijn is in hoeveelheid duidelijk en geleidelijk gedaald sinds 2017, niet toevallig het jaar dat de Properstrandlopers met hun strandreinigingsacties zijn gestart. 

• Spontane duinvorming: Bij 62% van alle surveys stelden de vrijwilligers spontane duinvorming op het hoge strand vast. Het is een indicator voor de ‘vergroening’ van onze stranden, een gewenste evolutie die bijdraagt aan een betere bescherming tegen kusterosie en overstromingen. Vooral de pioniersoorten biestarwegras en zeeraket, en de laatste jaren (2024-2025) ook helmgras, zijn opvallend meer aanwezig. Eerder was al een tijdelijke piek zichtbaar tijdens de corona lockdown, toen minder strandbezoekers en strandwerken de natuurlijke ontwikkeling meer ruimte gaven. De recente toename lijkt erop te wijzen dat ook het beheer van onze stranden geleidelijk meer ruimte laat voor spontane duinvorming als natuurlijke vorm van kustbescherming.

• Kleine heremietkreeftjes leven vooral onder de laagwaterlijn, en komen in de warmere periodes naar ondiepere zones om zich voort te planten. Mogelijk verklaart dit deels hun soms explosief optreden in de surfzone in juni-augustus. Een lange-termijn trend is er als dusdanig nog niet.

Schuimvorming in de branding is hoofdzakelijk te wijten aan de aanwezigheid van schuimalg (Phaeocystis) in de maanden maart-april-mei, op zijn beurt niet los te zien van de eutrofiëring of stikstofbelasting van de zee. Voor de periode 2014-25 is er alsnog geen trend zichtbaar.

Zeepieren: Vrijwilligers inventariseren zeepieren aan de hand van de karakteristieke 'tandpastahoopjes' van uitgepoept zand die de dieren op het strand achterlaten. Vanaf mei neemt het aantal van deze hoopjes sterk toe, vermoedelijk omdat de wormen dan actiever worden en niet noodzakelijk omdat er meer zeepieren aanwezig zijn. Zeepieren komen bovendien duidelijk vaker voor aan de Westkust en zijn het talrijkst op brede, vlakke stranden. Tjidens extra veldonderzoek op acht locaties in april 2026 kon worden aangetoond dat het in feite om twee soorten zeepier gaat: de wadpier (Arenicola marina) die piekt op 50-55m afstand van de laagwaterlijn, terwijl de zwarte tap (Arenicola defodiens) zijn hoogste dichtheden een stuk lager op het strand kent, op nauwelijks 10m van de laagwaterlijn. Een lange-termijn verandering in aantallen ontbreekt alsnog.

• Schelpkokerwormen zijn als rifbouwers van groot ecologisch belang. Het tellen van de kokertjes op het strand – de worm zelf trekt zich snel in de bodem terug – leverde geen trend op in de periode 2014-25, wel veel variatie. Ook voor deze worm is de Westkust kennelijk een beter leefgebied.

Schelpen op het strand:  Vrijwilligers verzamelen de schelpen in de vloedlijn volgens een gestandaardiseerd protocol. De soortensamenstelling komt opvallend goed overeen met die van de jaarlijkse Grote Schelpenteldag. De vijf meest gevonden soorten zijn de halfgeknotte strandschelp, kokkel, nonnetje, mossel en Amerikaanse zwaardschede. Opvallend is dat de eerste twee soorten grotendeels afkomstig zijn uit (sub)fossiele schelpenlagen op de zeebodem. Hun aanwezigheid vertelt dus vooral iets over het geologische verleden van de Noordzee. De overige drie soorten zijn meestal recent gestorven en geven daardoor een beter beeld van het huidige leven in zee. Er zijn ook duidelijke regionale verschillen. Aan de Westkust worden vaker Amerikaanse zwaardscheden, zaagjes en tapijtschelpen gevonden. Aan de Oostkust domineren nonnetjes en boormosselen, wat waarschijnlijk samenhangt met de fijnere zandbodems en de aanwezigheid van veenbanken voor de kust.

•  Kwallen spoelen heel onregelmatig aan, wat het monitoren en het bepalen van een langetermijntrend sterk bemoeilijkt. Een dikke helft van de tijdens SeaWatch-B aangetroffen exemplaren betreft oorkwallen (56%), gevolgd door zeepaddenstoel (30%), blauwe haarkwal (13%) en kompaskwal (2%).

Schaalhorens komen voor op 12 van de 19 onderzochte stranden, meer bepaald op stranden waar strandhoofden aanwezig zijn. De dichtheid van deze piramidevormige zeeslakken schommelt sterk, zowel doorheen het jaar als van jaar tot jaar, mogelijks mee aangestuurd door (illegale) exploitatie.

• Oudheidkundige toevalsvondsten op het strand zijn doorgegeven aan het Agentschap voor Onroerend Erfgoed.
 


Embryonale duinvorming
Eugeen De Hondt

Een van de parameters die de vrijwilligers van SeaWatch-B opvolgen is spontane duinvorming op het hoge strand. Het is een indicator voor de ‘vergroening’ van onze stranden.

Samen sterk!

Burgerwetenschapinitiatieven als SeaWatch-B tonen hoe onderzoek in de handen van degelijk opgeleide en opgevolgde burgers tot unieke resultaten kan leiden. Resultaten die in een puur professionele context moeilijk te bekomen zijn, al is het maar omdat lang volgehouden onderzoeksprogramma’s in deze context duur en dus zeldzaam zijn. In het geval van SeaWatch-B heeft een volgehouden inspanning van intussen reeds elf jaar geleid tot spectaculaire resultaten, zeker bij de vergelijking van de kruivangsten uit de periode 2014-25 met die professioneel verzameld aan de Ugent 27 jaar vroeger.

En wat meer is, burgerwetenschapsinitiatieven zijn ook een beproefde werkvorm om échte, diepe bewustwording bij de deelnemers en hun entourrage teweeg te brengen. Wat je zelf aan de lijve ervaart, zul je niet snel vergeten! Elke SeaWatcher is dan ook een ware ambassadeur voor gezonde stranden en propere zeeën. Elk van hen beseft dat het onderzoek dat ze uitvoeren bijdraagt tot meer kennis en begrip voor de mariene omgeving. Twee keer winst dus.

Als afsluiter houden we er dan ook aan deze ploeg van supergemotiveerde en secuur werkende enthousiastelingen, geholpen door een heel team aan al even gedreven ‘buddies’, heel erg te bedanken: SeaWatchers, duizend maal dank! 
 


Een vrijwilliger van het Seawatcher-B burgerwetenschapsinitiatief actief op het strand
VLIZ | Annelies Tavernier

Een vrijwilliger van het Seawatcher-B burgerwetenschapsinitiatief actief op het strand.

Verder lezen, kijken en luisteren

  • SeaWatch-B, vrijwilligersnetwerk voor strandobservaties | website  
  • Grote Schelpenteldag | website 
  • Spatio-temporal trends in the Belgian Coastal Ecosystem: 11 Years of citizen science. (2026) Stellamans | VLIZ-bib
  • Epi- en hyperbenthische gemeenschappen van Belgische zandstranden. (2001) Beyst | VLIZ-bib
  • Mariene burgerwetenschap door het VLIZ | website  

Suggesties

Heb je zelf ideeën, interessante weetjes ...

Stuur ons je suggestie

Artikel delen

Lijkt dit artikel iets voor uw vrienden of collega’s? Deel het met hen!